ECLI:NL:PHR:2003:AF3304

ECLI:NL:PHR:2003:AF3304, Parket bij de Hoge Raad, 25-02-2003, 00020/02

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 25-02-2003
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 00020/02
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2003:AF3304
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

-

Uitspraak

Nr. 00020/02

Zitting: 7 januari 2002

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens zware mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een geldboete van f. 750,--. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen voor een bedrag van f. 1.201,80 en de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

2. Namens verdachte heeft mr. M. Veldman, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het Hof bewezenverklaring van het zwaar lichamelijk letsel onvoldoende met redenen heeft omkleed.

4. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 7 februari 1999 te Utrecht aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus, heeft toegebracht door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk een kopstoot te geven. "

5. Met betrekking tot het letsel houden de bewijsmiddelen het volgende in:

- een ambtsedig proces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven - als verklaring van [slachtoffer]:

"Op 7 februari 1999 bevond ik mij in De Dansfabriek, Drieharingstraat te Utrecht. Ik zag en voelde dat een jongen mij een kopstoot gaf. Ik zag dat hij zijn hoofd naar achteren deed en vervolgens kennelijk opzettelijk en met kracht naar voren bewoog. Ik voelde dat zijn voorhoofd op mijn neus terecht kwam. Ik voelde onmiddellijk een hevige pijn dat mijn neus bloedde. Mijn neus is nog opgezet en gevoelig."

- een ambtsedig proces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven - als verklaring van [slachtoffer]:

"Op 7 februari 1999 heb ik aangifte gedaan van zware mishandeling. Ik heb toen in discotheek De Dansfabriek (het hof leest: te Utrecht) een kopstoot van een andere jongen gekregen. Vandaag ben ik bij de huisarts geweest. Deze vermoedde dat mijn neus was gebroken en stuurde mij door naar het ziekenhuis. In het ziekenhuis werd geconstateerd dat ik een gebroken neus heb. Mijn neus is blauw en gezwollen en doet pijn. Sommige plekken van mijn neus zijn gevoelloos."

- een geschrift (kopie van een EHBO-formulier) inhoudende -zakelijk weergegeven -:

"Anamnese: trauma neus vijf dagen geleden, zwelling. Röntgen X: X-OS nasalis # (fractuur, naar het Hof begrijpt)."

6. Lichamelijk letsel is als zwaar te beschouwen wanneer dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. (HR 13 juli 2001, NJ 2001, 319). Factoren die van belang zijn om uit te maken of het letsel als zwaar in de zin van de wet kan worden aangemerkt zijn - zoals uit genoemd arrest volgt - de ernst van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.

7. De beantwoording van de vraag of zeker letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, is in belangrijke mate voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Zijn oordeel dienaangaande kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Zo zal de cassatierechter kunnen ingrijpen indien uit de bestreden beslissing niets blijkt omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel (HR 15 mei 2000, NJ 2000, 510, waarbij als voorbeeld wordt genoemd HR 12 oktober 1999, NJ 1999, 828).

8. Ik geef een aantal, meest recente(1) voorbeelden van gevallen waarin al dan niet voldoende bewijs voor zwaar lichamelijk letsel aanwezig werd geacht.

9. Van toereikend bewijs voor zwaar lichamelijk letsel was onder meer sprake in de volgende gevallen:

- het aanbrengen van een tatoeage, in aanmerking nemend dat de verwijdering van de door verdachte op de buik van het slachtoffer aangebrachte tatoeage een pijnlijk en problematisch proces was geweest waardoor zij vele maanden haar beroep als balletdanseres niet had kunnen uitoefenen (HR 22 mei 1990, NJ 1991, 930);

- een linkerduimfractuur en peesletsel (HR 22 december 1992, NJ 1993, 385; de Hoge Raad liet de uitspraak van het Hof in stand met een aan art. 101 oud RO ontleende formulering, in afwijking van de conclusie)

- gebroken jukbeen en gescheurde oogkas, een gedetailleerde verklaring van een kaakchirurg van hetgeen deze mede aan de hand van een röntgenologisch onderzoek had geconstateerd met betrekking tot het aan het slachtoffer toegebrachte letsel, alsmede welke medische handelingen hij in het ziekenhuis had moeten verrichten aan het slachtoffer (reponeren van het jukbeen in algehele anaesthesie).( HR 12 oktober 1999, LJN ZD1586); - het slachtoffer had een schotverwonding in het (onder)been opgelopen, een kogel was zijn been aan de voorzijde binnengedrongen en had het aan de achterzijde verlaten, als gevolg van deze verwonding was het slachtoffer van de trap gerold en bewoog hij zich hinkend voort, moest hij zich in het ziekenhuis onder behandeling en stellen, en kreeg daar een gipsverband om zijn been dat er na enige dagen nog steeds om zat (HR 16 mei 2000, NJ 2000, 510);

- het slachtoffer had schotverwondingen opgelopen als gevolg waarvan hij hevige pijn in de borst voelde, een kogel was diens bovenlichaam binnengedrongen langs de linkerborstzijde en had dat verlaten ter hoogte van het schouderblad net naast de oksel, beide verwondingen hadden een doorsnede van twee centimeter, de door de arts geschatte genezingsduur bedroeg zes weken (HR 5 december 2000, NJ 2001, 99).

10. Het bewijs voor zwaar lichamelijk letsel werd ontoereikend geacht in de volgende gevallen:

- verminderd gehoor links en een traumatische perforatie trommelvlies en bloed in gehoorgang links en pijn tussen schouderbladen (HR 17 november 1998, NJ 1998, 151);

- een snede in de duimmuis van de rechterhand, ongeveer 2 à 3 cm lang en 1,5 cm diep, voorzien van scherpe randen ca. 1,5 cm lang, deze snede zou zijn genezen na het aanbrengen van hechtverband en drukverband na ongeveer tien dagen (HR 19 januari 1999, NJ 1999, 344);

- kleine wond linkerknie voorzijde, kleine wond linker knie achterzijde, gering uitwendig bloedverlies (HR 12 oktober 1999, NJ 1999, 828);

- perforatie van het trommelvlies links zonder meer (HR 1 februari 2000, LJN AA4637).

- whiplash syndroom (zweepslag syndroom t.h.v. nek), ; distorsie beide knieën (HR 13 maart 2001, NJ 2001, 329);

- het slachtoffer had erge pijn aan zijn neus, linker kaak en linkeroog; in het ziekenhuis bleek dat zijn neus en voortand gebroken waren, een kroon op dit element was noodzakelijk (HR 10 juli 2001, NJ 2001, 620; de Hoge Raad wees er op dat met name ten aanzien van de gebroken neus niets bleek omtrent aard van de breuk, eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen).

11. In het onderhavige geval gaat het niet om letsel van zodanige aard dat een behoorlijke inschatting valt te maken van de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De in de bewijsmiddelen opgenomen omstandigheid dat verdachte pas vijf dagen nadat hem het letsel was toegebracht naar de huisarts was gegaan, vormt eerder een contra-indicatie voor zwaar lichamelijk letsel dan dat deze aan het bewijs bijdraagt. Uit de bewijsmiddelen blijkt verder niet van noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De onderhavige zaak vertoont opvallende overeenkomst met HR 10 juli 2001, NJ 2001, 620, waarin ook van een gebroken neus sprake was en de Hoge Raad het gebezigde bewijsmateriaal onvoldoende achtte omdat niets bleek omtrent aard van de breuk, eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen.

12. De bewezenverklaring is voor wat betreft het zwaar lichamelijk letsel dus onvoldoende met redenen omkleed.

13. Het middel slaagt.

14. Ambtshalve vestig ik er nog de aandacht op dat het Hof heeft verzuimd naast de geldboete vervangende hechtenis op te leggen. Indien de Hoge Raad van oordeel zou zijn dat het middel faalt, dan kan de Hoge Raad deze omissie zelf herstellen naar de maatstaf van één dag hechtenis voor vijftig gulden boete.

15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 Zie voor een overzicht van minder recente gevallen de conclusie van A-G Keijzer bij HR 17 november 1998, NJ 1998, 151.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?