ECLI:NL:PHR:2003:AF9701

ECLI:NL:PHR:2003:AF9701, Parket bij de Hoge Raad, 19-08-2003, 00288/03 B

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 19-08-2003
Datum publicatie 11-11-2025
Zaaknummer 00288/03 B
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2003:AF9701
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001903 BWBR0001941

Samenvatting

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op geldbedrag onder ander (beslagene) dan klagers t.z.v. verdenking van overtreding van Opiumwet, waarna strafrechter (in strafzaak tegen beslagene) geldbedrag (fl. 17.242,35) verbeurd verklaart en beslagene komt te overlijden. Rb heeft klagers, die stellen dat zij fl. 16.500 aan beslagene hebben geleend, n-o verklaard in hun klaagschrift, nu onherroepelijke beslissing van strafrechter in de weg staat aan beoordeling van klaagschrift. Kunnen klagers worden aangemerkt als belanghebbenden a.b.i. art. 552a en 552b Sv? Gelet op de in klaagschrift ingenomen stelling (geldbedrag geleend aan beslagene) kunnen klagers niet worden aangemerkt als belanghebbenden a.b.i. art. 552a dan wel 552b Sv. Klagers hebben immers door dit geldbedrag te lenen aan ander slechts vordering verkregen tot terugbetaling van bedrag van dezelfde hoogte, zodat niet gezegd kan worden dat zij aanspraak kunnen maken op afgifte van inbeslaggenomen geldbedrag (vgl. HR:2003:AF4253). Uit voorgaande volgt dat Rb de klagers terecht n-o heeft verklaard in hun klaagschrift, maar op onjuiste gronden. Nu beslissing Rb juist is, behoeven middelen, waarin wordt geklaagd dat Rb het ex art. 552a Sv ingediende klaagschrift ten onrechte niet heeft opgevat als klaagschrift a.b.i. art. 552b Sv en waarin voorts wordt geklaagd over verzuimen bij behandeling van klaagschrift, verder geen bespreking. Volgt verwerping.

Uitspraak

Nr. 00288/03/B

Mr Machielse

Parket 3 juni 2003

Conclusie inzake:

[klager 2]

1. De Rechtbank Amsterdam heeft op 5 september 2002 klager niet ontvankelijk verklaard in zijn beklag, strekkende tot teruggave aan hem van een onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen bedrag aan geld.

2. Mr. F. van Baarlen, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. B.C. Swier, eveneens advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie. Deze zaak hangt samen met de zaken onder griffienummers 00289/03 B en 00290/03 B waarin ik heden eveneens concludeer.

3.1. Het eerste middel voert aan dat de niet-ontvankelijkverklaring miskent dat de Rechtbank het klaagschrift, dat op 12 maart 2001 was ingediend op de voet van art. 552a Sv, nadat de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geld door intrekking op 13 september 2001 van het hoger beroep tegen de veroordeling van 29 maart 2001 onherroepelijk was geworden, had moeten opvatten als een klaagschrift op de voet van art. 552b Sv.

De bestreden beschikking houdt het volgende in:

Uit de stukken is het volgende gebleken.

Op 29 maart 2001 heeft de rechtbank Amsterdam vonnis gewezen in de strafzaak tegen [betrokkene 1] en hem wegens overtreding van de Opiumwet veroordeeld tot een vrijheidsstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Een onder [betrokkene 1] in beslag genomen geldbedrag ter hoogte van fl. 17.242,35 is door de rechtbank verbeurd verklaard. [betrokkene 1] heeft op 13 september 2001 het door hem ingestelde hoger beroep ingetrokken. Het vonnis is thans onherroepelijk. Op 24 maart 2002 is beslagene [betrokkene 1] overleden.

Op zich is niet onaannemelijk dat [betrokkene 1] een bedrag van fl. 16,500,- heeft geleend van klagers. Bij de stukken bevindt zich een door hem ondertekende schuldbekentenis d.d. 14 november 2000 en een brief van Information Technology Applications BV d.d. 16 november 2000 met betrekking tot een levering van computerapparatuur aan [betrokkene 1] , een aanbetaling van fl. 1000,- en een resterende betaling van fl. 18.000,-.

De officier van justitie heeft zich verzet tegen gegrondverklaring van het klaagschrift.

De rechtbank is van oordeel, dat - wat er ook zij van de gestelde vordering van klagers op wijlen [betrokkene 1] - de hierboven weergegeven beslissing op het beslag, zijnde een onderdeel van het tegen [betrokkene 1] gewezen onherroepelijk vonnis, aan een verdere beoordeling van het klaagschrift in de weg staat en klagers niet ontvankelijk dienen te worden verklaard.

De steller van het middel beroept zich op HR NJ 1994, 263 waarin de Hoge Raad overwoog:

Redelijke wetstoepassing brengt voorts mee dat, indien het gerecht dat bevoegd is tot afdoening van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv constateert dat, sedert de indiening daarvan, de desbetreffende voorwerpen bij inmiddels uitvoerbare beslissing zijn verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer, dit klaagschrift moet worden opgevat als een klaagschrift als bedoeld in art. 552b Sv.

3.2. Dit oordeel van de Hoge Raad lijkt een sterk argument dat de steller van het middel in de strijd kan brengen tegen de niet-ontvankelijkverklaring door de Rechtbank.(1) Maar naar mijn mening is de zaak wat gecompliceerder. In HR NJ 1994, 263 was onder kláágster geld inbeslaggenomen en in de zaak van haar medeverdachte verbeurdverklaard. Klaagster was zelf niet vervolgd. In de onderhavige zaak was het geld inbeslaggenomen onder verdachte [betrokkene 1] . De Rechtbank heeft in haar vonnis van 29 maart 2001 het geld verbeurdverklaard omdat dat geld volgens de Rechtbank geheel of grotendeels door middel van de cocaïnehandel is verkregen. De vraag rijst nu of hetgeen in het klaagschrift is gesteld voldoende is om klagers ook als belanghebbenden in de zin van art. 552b Sv aan te kunnen merken.

3.3. In HR NJ 1990, 612 verwees de Hoge Raad naar de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot mr Meijers, die schreef:

Belanghebbenden in de zin van art. 552a en art. 552b Sv zijn naast de beslagenen en degenen die een zakelijk recht op een of meer inbeslaggenomen voorwerpen hebben - ik volg Melai, aant. 3 op art. 552a -

"zij die op grond van een overeenkomst belang hebben bij een beschikkingsmacht over het voorwerp: de detentor (te denken valt hierbij aan de huurkoper, de bruiklener, degene die zonder eigenaar te zijn produktiemiddelen onder zich heeft). Ook een verzekeringsmaatschappij kan krachtens subrogatie belanghebbende worden genoemd in de zin van art. 552a".

In HR NJ 1995, 215 raadpleegde de Hoge Raad de geschiedenis van de Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 nieuw BW (zevende gedeelte), Stb. 1989, 616, en maakte daaruit op dat onder 'toekomende aan' in art. 552b Sv niet alleen worden begrepen de gevallen waarin een persoon een zakelijk recht heeft op een voorwerp, maar ook die waarin eventuele persoonlijk gerechtigden uit hoofde van hun gebruiksrecht aanspraak op afgifte kunnen maken. De Hoge Raad verwees naar een passage in de memorie van antwoord welke als volgt luidt:

"De bedoeling van de nieuwe redactie is om tot uiting te brengen dat een dergelijke bevoegdheid niet alleen toekomt aan degene die door deze uitspraak de eigendom van het voorwerp verloor, maar ook bijv. aan een bezitloze pandhouder of vuistpandhouder, of aan een vruchtgebruiker, retentor, huurkoper of huurder. Niet kan worden gezegd dat het voorwerp hun "toebehoorde", maar wel dat het hun uit hoofde van hun zakelijke of obligatoire recht toekwam."

De Hoge Raad concludeerde:

Gelet op de hiervoren weergegeven passages uit de parlementaire geschiedenis dient art. 552b, eerste lid, Sv, zoals die bepaling thans luidt, aldus te worden verstaan dat de belanghebbende als aldaar bedoeld zich op de voet van die bepaling kan beklagen niet alleen over de verbeurdverklaring van voorwerpen die zijn eigendom waren doch tevens over de verbeurdverklaring van voorwerpen waarop hij een aanspraak had uit hoofde van enig goederenrechtelijk of obligatoir recht.

In HR NJ 1996, 479 boog de Hoge Raad zich over de vraag of een faillissementscurator als belanghebbende in de zin van art. 552b Sv kon worden aangemerkt in een zaak waarin een kweekinstallatie voor hasjiesj was verbeurdverklaard. De Hoge Raad beantwoordde die vraag positief:

6.3. Onder "belanghebbende" in de zin van art. 552b Sv moet worden verstaan degene die stelt dat hij op grond van de wet krachtens eigendom, een beperkt recht of anderszins, dan wel op grond van een overeenkomst aanspraak erop kan maken dat de in dat artikel bedoelde voorwerpen aan hem worden afgegeven.

6.4. Ingevolge art. 23 F verliest de schuldenaar van rechtswege het beheer over zijn tot het faillissement behorend vermogen, te rekenen van de dag waarop de faillietverklaring is uitgesproken. Krachtens art. 68 F gaat het beheer alsdan over op de curator, die - behoudens in geval van een akkoord - de boedel moet vereffenen. Een en ander brengt mee dat de curator er aanspraak op kan maken dat in beginsel alle tot de failliete boedel behorende voorwerpen aan hem worden afgegeven.

6.5. Aldus kan van de curator, als gevolg van de hem door de wet opgedragen taak tot beheer en vereffening van de failliete boedel, worden gezegd dat deze als belanghebbende in de zin van art. 552 Sv kan worden aangemerkt.

3.4. In de onderhavige zaak wordt gesteld dat het inbeslaggenomen geld aan de overleden verdachte was geleend die het geld voor een bepaald doel zou aanwenden. Een verbruiklener heeft evenwel geen recht op teruggave van dezelfde (verbruikbare) goederen, maar op teruggave van een equivalente hoeveelheid daarvan. De ontvanger wordt rechthebbende op het geleende goed (art. 7A:1791 e.v. BW). Uit de aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad maak ik op dat enkel van degene die recht heeft op afgifte van een welbepaald voorwerp, dat hij bijvoorbeeld ter bruikleen heeft afgestaan, gezegd zal kunnen worden dat hem dat voorwerp 'toekomt' in de zin van art. 552b Sv.(2) Tot die categorie rechthebbenden kan de verbruiklener niet worden gerekend.

Het bovenstaande voert mij tot de conclusie dat de beslissing van de Rechtbank om klager niet-ontvankelijk te verklaren correct is, zij het op andere gronden dan waarop de Rechtbank haar beslissing heeft gebaseerd.

4. Het tweede en derde middel lenen zich gezien het bovenstaande voor een gezamenlijke bespreking.

Het tweede middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken waarom de raadsman van klager niet bij het onderzoek in raadkamer is verschenen. Het derde middel stelt dat de Rechtbank ten onrechte klager geen gelegenheid heeft gegeven in raadkamer zijn standpunt toe te lichten, althans heeft nagelaten te onderzoeken of klager deugdelijk was opgeroepen.

Nu de Rechtbank in mijn opinie terecht het klaagschrift niet-ontvankelijk heeft verklaard missen beide middelen belang, hoewel de gang van zaken rond de oproepingen en verwittigingen niet correct is geweest, gelet op de faxen van 1 en 2 mei 2002 van de opvolgend raadsman van klager, welke faxen zich in het dossier bevinden. Uit niets wat is gesteld of gebleken is op te maken dat een andere beslissing dan tot niet-ontvankelijkheid had behoren te volgen indien klager en/of diens raadsman wél was verschenen en gehoord.

5. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

Bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Zie evenwel anderzijds HR DD 94.107.

2 Vgl. R.M. Vennix, Boef en beslag, p. 268 e.v.; F. Vellinga-Schootstra, Inbeslagneming en huiszoeking, p. 241 e.v.; Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 4e druk, p. 456 e.v.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 2003, 661
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?