ECLI:NL:PHR:2003:AL6190

ECLI:NL:PHR:2003:AL6190, Parket bij de Hoge Raad, 11-11-2003, 00112/03 P

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 11-11-2003
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 00112/03 P
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2003:AL6190
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

De omstandigheid dat de uitspraak in hoger beroep bijna tien maanden later is gedaan dan door het hof was aangekondigd, levert in casu geen overschrijding van de redelijke termijn op.

Uitspraak

Nr. 00112/03/P

Mr Machielse

Zitting 30 september 2003

Conclusie inzake:

[veroordeelde=betrokkene](1)

1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft aan veroordeelde op 29 augustus 2002 de verplichting opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat een bedrag te betalen van € 66.455,-.

2. Veroordeelde heeft cassatie ingesteld en mr J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt over een schending van de redelijke termijn sinds het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting in appel.

De gang van zaken in hoger beroep is als volgt geweest:

- op 9 april 2001 is het onderzoek ter terechtzitting op tegenspraak aangevangen;

- op 23 april 2001 heeft het hof een tussenarrest gewezen. Volgens het tussenarrest zou het onderzoek ter terechtzitting worden hervat op 12 oktober 2001;

- het onderzoek ter terechtzitting is op 5 oktober 2001 hervat. Verdachte en zijn raadsman zijn beiden verschenen;

- het onderzoek ter terechtzitting is op 5 oktober 2001 gesloten en de voorzitter heeft medegedeeld dat de uitspraak zou plaatsvinden op 2 november 2001;

- het arrest is eerst gewezen op 29 augustus 2002;

- veroordeelde heeft op 10 september 2002 cassatie ingesteld;

- de bijlage bewijsmiddelen is ondertekend op 14 januari 2003;

- op 22 januari 2003 is het dossier bij de Hoge Raad ontvangen.

Het middel klaagt dat er sinds het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting in appel tot aan de aanzegging ingevolge art. 435 lid 1 Sv bijna 16 maanden zijn verstreken waardoor de redelijke termijn zou zijn overschreden.

3.2. Ik ben van oordeel dat de redelijke termijn inderdaad is overschreden, maar ik zou dat oordeel willen ophangen aan het tijdsverloop tussen het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting en de uiteindelijke uitspraak in hoger beroep. Artikel 511e lid 1 onder b Sv bindt de rechter in een ontnemingszaak niet aan de termijn van veertien dagen voor uitspraak van art. 345 Sv. De achtergrond hiervan is dat de complexiteit van de materie en de aard van de procedure, waarin wezenlijk andere vragen aan de orde zijn dan in de hoofdzaak, kunnen billijken dat de rechter niet aan een bepaalde termijn voor uitspraak wordt gebonden.(2) Maar in deze zaak heeft de voorzitter medegedeeld dat de uitspraak na een kleine maand zou plaatsvinden. Kennelijk heeft het hof gemeend dat de zaak meer tijd zou vergen voor uitspraak dan veertien dagen, maar dat ongeveer een maand wel voldoende zou zijn. Veroordeelde mocht erop vertrouwen dat inderdaad op de aangegeven datum uitspraak zou worden gedaan. Als het hof immers de zaak zó ingewikkeld zou hebben geoordeeld dat niet viel te voorzien wanneer de uitspraak gedaan zou kunnen worden zou het voor de hand hebben gelegen dat géén uitspraakdatum zou zijn bepaald, maar dat veroordeelde op de hoogte zou zijn gesteld zodra er wél een datum bekend zou zijn. Het arrest is evenwel niet op de aangekondigde dag gewezen, maar heeft na de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting bijna 11 maanden op zich laten wachten. Het dossier bevat niets wat zo een vertraging kan verklaren, noch enig aanknopingspunt voor het vermoeden dat veroordeelde op de hoogte is gesteld van het feit dat het allemaal veel langer zou gaan duren.

Het middel is dus terecht voorgesteld.

3.3. In de hoofdzaak heb ik geconcludeerd tot vernietiging van het arrest. Ook dáár is de redelijke termijn overschreden. Indien Uw Raad die conclusie zou volgen zou dat voor deze zaak geen gevolg behoeven te hebben.(3) Het komt mij voor dat nu reeds besloten kan worden tot een vermindering van het aan de Staat te betalen bedrag wegens schending van de redelijke termijn in de ontnemingszaak zonder de uitkomst in het vervolg van de hoofdzaak af te wachten, als althans beide zaken uiteen gaan.

4. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven. Deze conclusie strekt tot vermindering van de aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te betalen som gelds met een bedrag dat aan Uw Raad passend voorkomt.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met de zaak onder nr. 00113/03/E waarin ik ook vandaag conclusie neem.

2 Kamerstukken II 1989-1990, 21 504, nr. 3, p. 37. Zie ook Kamerstukken II 1991-1992, 21 504, nr. 8, p. 5.

3 HR NJ 1999,75.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JOL 2003, 576
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?