Rolnr. C02/242HR
Mr L. Strikwerda
Zt. 24 okt. 2003
conclusie inzake
Delta Lloyd Schadeverzekeringen N.V.
tegen
P & O Nedlloyd B.V.
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij dagvaarding van 2 maart 1990 heeft thans eiseres tot cassatie, hierna: Delta Lloyd, thans verweerster in cassatie, hierna: Nedlloyd, voor de Rechtbank te Rotterdam aangesproken tot betaling van schadevergoeding, begroot op f 19.706,90, met rente en kosten. Aan haar vordering heeft Delta Lloyd ten grondslag gelegd dat Nedlloyd als vervoerder onder cognossement aansprakelijk is voor aan de vervoerde zaken geconstateerde schade en dat de recht- en regelmatig cognossementhouder, Frugalis B.V., en de betrokken verzekeraars hun vorderingsrechten jegens Nedlloyd aan haar hebben gecedeerd.
2. Nadat Nedlloyd de vordering van Delta Lloyd had bestreden, heeft de Rechtbank bij vonnis van 23 december 1999, alvorens verder te beslissen, Delta Lloyd toegelaten tot bewijs.
3. Delta Lloyd is van het vonnis van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, doch tevergeefs: bij arrest van 23 april 2002 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd en de zaak naar die Rechtbank verwezen ter verdere behandeling en beslissing.
4. Delta Lloyd is tegen het arrest van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met drie middelen die door Nedlloyd zijn bestreden met conclusie tot verwerping.
5. Het bestreden arrest van het Hof is een tussenarrest. Het Hof heeft in zijn arrest immers niet door een uitdrukkelijk dictum aan het geding omtrent enig deel van het gevorderde een einde gemaakt. Het arrest van het Hof is tot stand gekomen op 23 april 2002, derhalve na het tijdstip van inwerkingtreding (1 januari 2002) van de Wet van 6 december 2001, Stb. 580, tot herziening van het procesrecht in burgerlijke zaken. Uit art. VII lid 2 van deze wet volgt dat ten aanzien van de mogelijkheid van het aanwenden van een rechtsmiddel tegen een beslissing van een gerecht die na het tijdstip van inwerkingtreding is tot stand gekomen de bij die wet vastgestelde bepalingen, waaronder art. 401a lid 2 Rv, van toepassing zijn. Vgl. HR 31 januari 2003, RvdW 2003, 33. Volgens art. 401a lid 2 Rv kan beroep in cassatie van het tussenarrest van het Hof slechts tegelijk met het eindarrest worden ingesteld, aangezien het Hof niet anders heeft bepaald en de overige in het artikel vermelde uitzonderingen evenmin van toepassing zijn. Uit dit een en ander volgt dat Delta Lloyd in haar cassatieberoep niet kan worden ontvangen.
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van Delta Lloyd in haar beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,