Nr. 02307/03
Mr. Jörg
Zitting 9 maart 2004
Conclusie inzake:
[verzoekster=verdachte]
1. Verzoekster is door het gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 22 januari 2002 niet-ontvankelijk verklaard in het door haar ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 30 maart 2000, waarbij zij ter zake van diefstal is veroordeeld tot één week gevangenisstraf.
2. Namens verzoekster heeft mr. J.J. Weldam, advocaat te Utrecht, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden, zowel tussen het instellen van het hoger beroep en de behandeling daarvan, als tussen het instellen van beroep in cassatie en de behandeling hiervan.
4. Zoals mr Fokkens in zijn conclusies voor HR 26 juni 2001, nr 01582/99 en 11 december 2001 nr 01725/99 heeft opgemerkt was in die zaken door de terechte niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep in die zaken wegens termijnverzuim vast komen te staan dat de vonnissen a quo onherroepelijk waren geworden. Klachten over vertraging bij de afdoening van zowel het hoger beroep als het cassatieberoep kunnen na het voor ten uitvoer vatbaar worden van een vonnis niet met kans op succes aan de Hoge Raad worden voorgelegd, aldus de conclusie. Het zou tot gevolg hebben dat ieder, mogelijk zelfs: herhaald in strijd met de wet instellen van een rechtsmiddel uit het Wetboek van Strafvordering(1) alsnog tot strafreductie aanleiding zou kunnen geven indien de rechterlijke colleges met de afhandeling van zulke fakeberoepen traag omgaan, wil ik daaraan toevoegen. Dat resultaat veroordeelt zichzelf.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Dat de Hoge Raad uiteindelijk bepaalt of de beroepen inderdaad in strijd met de wet zijn ingesteld maakt dit niet anders.