Nr. 02451/03 E
Mr. Vellinga
Zitting: 25 mei 2004
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, wegens 3. "overtreding van een voorschrift gesteld bij art. 18.18 Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd" en 4. "overtreding van een voorschrift gesteld bij art. 10.3, tweede lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair zestig dagen hechtenis.
2. Namens verdachte heeft mr. S.F.J. Smeets, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel is gericht tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat het bewijs als onrechtmatig verkregen diende te worden uitgesloten.
4. Het Hof heeft het namens verdachte gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"De raadsman heeft - kort gezegd - betoogd dat de politie onrechtmatig is binnengetreden en een doorzoeking heeft verricht op het terrein aan de [a-straat 1]A te [plaats B] zodat al het uit die zoeking voortvloeiende bewijsmateriaal dient te worden uitgesloten.
Het hof overweegt dat de politie op basis van het proces-verbaal van de RCID Utrecht, gedateerd 22 december 1999, in onderling verband en samenhang bezien met de op 12 september 1999 ten overstaan van de politie Utrecht gedane uitlatingen van de zoon van verdachte, de verkregen informatie aldus kon en mocht interpreteren dat op het adres [a-straat 1]A te [plaats B] wapens verborgen zouden zijn en - gelet op het beperkte tijdsverloop en het ontbreken van aanwijzingen van het tegendeel - op 17 januari 2000 nog steeds aanwezig zouden zijn. Dat de machtiging tot binnentreden niet vermeldt voor welk perceel deze is afgegeven staat naar het oordeel van het hof overigens niet in de weg aan de rechtmatigheid van de zoeking, nu uit het verslag van binnentreden blijkt dat deze voor het perceel [a-straat 1] A/B te [plaats B] was afgegeven. Nu in de machtiging wordt gesproken over "woning of woningen" moet worden aangenomen dat zij ziet op de (een of meer) woningen die zich op het perceel (blijken te) bevinden."
5. Bij de stukken van het geding bevindt zich een proces-verbaal van de Regionale Criminele Inlichtingendienst van de Politie Regio Utrecht van 22 december 1999. Dit proces-verbaal houdt in, zakelijk weergegeven, dat bij de RCID in de periode tussen januari 1999 en april 1999 informatie was binnengekomen dat [betrokkene 1] (zoon van verdachte; WHV) in het bezit was van een grote partij semtex en van een vuurwapen dat hij altijd bij zich droeg, en tevens kon beschikken over machinegeweren. Zowel de bron als de informatie worden in het proces-verbaal als betrouwbaar aangemerkt. Op 5 juni 1999 is die [betrokkene 1] aangehouden naar aanleiding van een schietpartij. Op diverse locaties zijn huiszoekingen verricht maar de genoemde semtex werd daarbij niet aangetroffen.
6. Voorts bevindt zich bij de stukken van het geding een proces-verbaal van de Politie Regio Utrecht, nummer PL0911/99-621257, inhoudende, zakelijk weergegeven, dat verbalisanten "verdachte [betrokkene 1]" (zoon van verdachte; WHV) op 12 september 1999 na zijn aanhouding overbrachten naar een plaats voor verhoor. Aangekomen op het politiebureau vertelde hij dat hij in "[plaats C], naast broodjeszaak, 2e raam vuurwapens verstopt in rol tapijt. [A-straat 1] in [plaats D]".
7. Verder bevindt zich bij de stukken van het geding een machtiging tot binnentreden in een woning van 17 januari 2000, ondertekend door hulpofficier van justitie P.C.L. Stadhouders. Dit document houdt in dat voornoemde hulpofficier van justitie, gelet op art. 49 WWM, machtiging geeft aan G. Homan, inspecteur van politie om:
"voor huiszoeking ter inbeslagneming van wapens en of munitie
zonder toestemming van de bewoner binnen te treden
bepaalt voorts dat bij dringende noodzakelijkheid ingeval van afwezigheid van de bewoner(s) in de genoemde woning of woningen kan worden binnengetreden
(...)"
Deze machtiging vermeldt niet op welke specifieke woning of woningen zij betrekking heeft.
8. Voorts bevindt zich bij de stukken van het geding een Verslag binnentreden woning van 19 januari 2000, ondertekend door G. Homan, inspecteur van politie regio Utrecht. Dit verslag houdt het volgende in, voor zover thans van belang:
"Op 17 januari 2000 te 10:00 uur ben ik, ondergetekende, vergezeld van 23 opsporingsambtena(a)r(en),
krachtens een machtiging van
P.C.L. Stadhouders
inspecteur van politie, hulpofficier van justitie
welke machtiging op 17 januari 2000 is gegeven op grond van art. 49 Wet Wapens en Munitie
binnengetreden in de woning gelegen aan de [a-straat 1] A/B te [plaats B]
zonder de toestemming van de bewoner:
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 1953
bij afwezigheid van de bewoner en derhalve zonder toestemming.
zulks ter inbeslagneming.
Huiszoeking ter inbeslagneming op grond van de Wet Wapens en Munitie
(...)
Verrichtingen, eventuele voorvallen en bijzonderheden:
De toegangsdeur van de poort van het terrein werd opengebroken, waarna de poort geopend kon worden. De achterdeur alsmede de kelderdeur van de woning [1]A werd opengebroken. De toegangsdeur van het pand rechts na binnenkomst van het terrein werd opengebroken, alsmede van de toegangsdeur van de aangebouwde caravan. Verder werd de toegangsdeur van de voormalige woning aan de linkerzijkant van het terrein opengebroken.
In de kelder van de woning werd een hennepkwekerij aangetroffen. In de woning werd een hennepdrogerij, een namaakpistool, een namaakhandgranaat, cocainepoeder en een staaf Bengaals vuur (vuurwerk) aangetroffen. In het pand rechts na de ingang van het terrein werden 3 hennepkwekerijen aangetroffen. In de voormalige woning aan de linkerzijkant van het terrein werd een hennepkwekerij aangetroffen.
(...)
In de woning zijn in beslag genomen:
Hashpoeder, hashstukjes, hennepplanten, gedroogde hennep, kwekerijtoebehoren, strip capsules, namaakpistool, namaakhandgranaat, cocaine, staaf bengaals vuur."
9. Verder bevindt zich bij de stukken van het geding een proces-verbaal van 20 januari 2000 met betrekking tot voormelde huiszoeking. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover thans van belang:
"Op basis van verkregen informatie, waaromtrent afzonderlijk zal worden gerelateerd, is op 17 januari 2000, door de hulpofficier van justitie P.C.L. Stadhouders, een machtiging afgegeven op grond van artikel 49 van de Wet Wapens en Munitie, tot het binnentreden en het doen van huiszoeking in de woning gelegen aan de [a-straat 1] A te [plaats B].
Op maandag 17 januari 2000, omstreeks 10.45 uur, is in aanwezigheid van de hulpofficier van justitie G. Homan, met gebruikmaking van voornoemde machtiging, de toegangsdeur van het hek door ambtenaren van de politie Regio Utrecht, met geweld geforceerd.
Op het terrein bleken een woonhuis en diverse bijgebouwen te staan. Door politie-ambtenaren is onze aanwezigheid, met toepassing van voornoemde machtiging, de toegangsdeur van de woning met geweld geforceerd.
Daarna is door ons verbalisanten huiszoeking ter inbeslagneming verricht, in dit woonhuis."
10. Voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is ingevolge art. 2 lid 1 Algemene wet op het binnentreden een schriftelijke machtiging vereist. Art. 5 lid 1 Algemene wet op het binnentreden bepaalt dat de machtiging wordt gegeven voor het binnentreden in één in de machtiging te noemen woning. Zo nodig kan in de machtiging worden bepaald dat zij tevens geldt voor ten hoogste drie andere afzonderlijk te noemen woningen. Het ten tijde van de onderhavige binnentreden geldende art. 49 (oud) Wet wapens en munitie bepaalt dat de bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren te allen tijde op plaatsen waar zij redelijkerwijs kunnen vermoeden dat wapens of munitie aanwezig zijn, ter inbeslagneming huiszoeking kunnen doen.
11. Het Hof heeft vastgesteld dat de politie op basis van het proces-verbaal van de RCID Utrecht, gedateerd 22 december 1999, in onderling verband en samenhang bezien met de op 12 september 1999 ten overstaan van de politie Utrecht gedane uitlatingen van de zoon van verdachte, de verkregen informatie aldus kon en mocht interpreteren dat op het adres [a-straat 1]A te [plaats B] wapens verborgen zouden zijn en - gelet op het beperkte tijdsverloop en het ontbreken van aanwijzingen van het tegendeel - op 17 januari 2000 nog steeds aanwezig zouden zijn, en aldus sprake was van een redelijk vermoeden in de zin van art. 49 (oud) Wet wapens en munitie. Dit oordeel is van feitelijke aard en tegen de achtergrond van de stukken van het geding niet onbegrijpelijk en kan verder in cassatie niet worden getoetst.(1)
12. Het Hof heeft voorts vastgesteld dat de machtiging tot binnentreden niet een specifieke woning (of specifieke woningen) aanduidde, doch wel dat de machtiging betrekking had op een woning of woningen. Voorts heeft het Hof vastgesteld dat uit het verslag van binnentreden blijkt dat de machtiging - die op dezelfde dag is verleend waarop ook daadwerkelijk tot binnentreden werd overgegaan - voor het perceel [a-straat 1] A/B te [plaats B] was afgegeven. Daarmee heeft het Hof kennelijk als zijn oordeel tot uitdrukking willen brengen dat er bij de binnentredende opsporingsambtenaren, en in het bijzonder G. Homan, tot wie de machtiging was gericht, redelijkerwijs geen twijfel over kan hebben bestaan dat de machtiging uitsluitend betrekking had op de woning of woningen gelegen aan de [a-straat 1] A/B te [plaats B]. Gelet op deze niet onbegrijpelijke oordelen geeft 's Hofs kennelijke oordeel dat het ontbreken van een specifieke aanduiding van de woning(en) op de machtiging niet meebrengt dat het binnentreden en doorzoeken van de woningen onrechtmatig is, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dit oordeel evenmin nadere motivering behoeft. Daarbij kan in aanmerking worden genomen dat door of namens verdachte ter terechtzitting in hoger beroep niet is gesteld welk belang van verdachte in concreto is geschaad door het ontbreken van een specfieke aanduiding van de woning(en) in de machtiging.(2)
13. Het middel faalt.
14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 18 februari 1992, NJ 1992, 546, rov. 6.
2 Vgl. HR 16 maart 1999, NJ 1999, 387, rov. 4.