Nr. 02070/03
Mr Jörg
Zitting 31 augustus 2004
Conclusie inzake:
[verzoekster=verdachte]
1. Verzoekster is door het gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 21 januari 2002 wegens 1. "mishandeling gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd" en 2. subsidiair "bedreiging met zware mishandeling veroordeeld tot één maand gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een geldboete van € 220,-, subsidiair vier dagen hechtenis, met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] afgewezen en de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toegewezen tot een bedrag van € 75,- en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd ten belope van hetzelfde bedrag, subsidiair één dag hechtenis
2. Namens verzoekster heeft mr W.H.M. Ummels, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
3. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. De akte van uitreiking van de voor verzoekster bestemde appèldagvaarding houdt in dat de appèldagvaarding op 22 november 2001 aan verzoekster in persoon is uitgereikt. Het hof heeft arrest gewezen op 21 januari 2002. Eerst op 17 april 2003 is namens verzoekster beroep in cassatie ingesteld.
4. Nu de appèldagvaarding aan verzoekster in persoon is uitgereikt en er niet door of namens haar binnen veertien dagen na de einduitspraak beroep in cassatie is ingesteld, kan verzoekster, gelet op het bepaalde in art. 432 lid 1 sub a Sv, niet in het beroep worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat verzoekster niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG