Nr. 00156/04 E
Mr. Vellinga
Zitting: 7 september 2004
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch vrijgesproken van het haar bij inleidende dagvaarding onder 2 tenlastegelegde en voorts ter zake van 1, 3, 4 en 5 telkens wegens "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 5:12, tweede lid van de Arbeidstijdenwet, begaan door een rechtspersoon" veroordeeld tot een geldboete van €1500,= voor feit 1 en tot drie maal een geldboete van €750,= voor de feiten 3, 4 en 5.
2. Namens verdachte heeft mr. Th.J.H.M. Linssen, advocaat te Tilburg, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte art. 8 van de Verordening (EEG) nr 3820/85 als wettelijk voorschrift waarop de strafbaarheid berust heeft opgenomen, hoewel deze verordening niet een ieder kan verbinden als bedoeld in art. 93 Grondwet.
4. Het middel miskent dat een verordening van de Europese Gemeenschappen op grond van art. 249 EG-verdrag rechtstreeks werkt zonder tussenkomst van enig nationaal wettelijk voorschrift en buiten het systeem van artikel 93 en 94 Grondwet om.(1) Van schending van het legaliteitsbeginsel, zoals gesteld, is dan ook geen sprake.
5. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoeld motivering.
6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneel recht, vierde druk, Kluwer, Deventer 2001, blz. 120-121.