Nr. 01294/04
Mr. Vellinga
Zitting: 11 januari 2005
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft het Openbaar Ministerie ten aanzien van het als feit 2 aan verdachte tenlastegelegde, voor zover het gedragingen betreft gepleegd voor 3 augustus 1993, wegens verjaring niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging. Voorts is verdachte door het Hof wegens 1. medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en 2. medeplegen van enig gegeven verzwijgen met het oogmerk om aldus voor zichzelf bijstand of hogere bijstand te verkrijgen dan wel te behouden, meermalen gepleegd en enig gegeven verzwijgen met het oogmerk om aldus voor zichzelf bijstand of hogere bijstand te verkrijgen dan wel te behouden, meermalen gepleegd, veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 60 uren, in plaats van 4 weken gevangenisstraf.
2. Namens verdachte heeft mr. G. Meijers, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Deze zaak hangt samen met de zaak [medeverdachte] onder griffienummer 01295/04 waarin ik heden eveneens concludeer.
4. De middelen zijn gelijkluidend aan die in de verwante zaak nr. 01295/04. De middelen behoeven niet tot cassatie te leiden op de gronden vermeld in de conclusie in die zaak, waarnaar ik kortheidshalve verwijs.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG