Nr. 03251/04 B
Mr Jörg
Zitting 31 mei 2005
Conclusie inzake:
[verzoeker=klager]
1. Het gerechtshof te Leeuwarden heeft bij beschikking van 28 juli 2004 ongegrond verklaard het door verzoeker ingediende beklag strekkende tot opheffing van het derdenbeslag onder [A] en onder [B].
2. Namens verzoeker heeft mr R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het derdenbeslag op de vorderingen van verzoeker op [A] rechtmatig is gelegd, althans dat 's hofs oordeel onvoldoende met redenen is omkleed.
4. Het hof heeft blijkens zijn beschikking als volgt overwogen, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:
"Motivering
Namens de klager is in raadkamer aangevoerd, dat aan de conservatoire beslagen de rechtmatigheid ontbreekt,
a. omdat in de machtiging van de rechter-commissaris d.d. 19 maart 2001 niet wordt gerept [van] de vorderingen op [A], nu in die machtiging wordt verwezen naar de voor beslag vatbare voorwerpen, genoemd in het proces-verbaal van G. Bouma, waarin de vorderingen op [A] niet voorkomen;
(...)
Het hof overweegt, dat de machtiging van de rechter-commissaris, - voor zover van belang in verband met het gestelde onder a,- als grond inhoudt: "Overwegende dat de verdachte beschikt over voorwerpen, waarop verhaal als voornoemd kan worden genomen en die vatbaar zijn voor conservatoir beslag, onder meer als aangegeven in het proces-verbaal van 8 maart 2001, opgemaakt door G. Bouma (...)". Uit deze overweging blijkt niet dat de machtiging louter is beperkt tot hetgeen in het proces-verbaal van 8 maart 2001 is opgesomd."
5. Art. 103 (oud) Sv, zoals dat in de onderhavige zaak van toepassing was, luidt:
"1. Beslag kan op grond van artikel 94a slechts worden gelegd of gehandhaafd krachtens schriftelijke machtiging op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris.
2. De machtiging wordt door de officier van justitie zo spoedig mogelijk aan de verdachte of veroordeelde, en zo het beslag onder een derde is gelegd, ook aan deze betekend."
6. Art. 94a (oud) Sv, zoals dat in de onderhavige zaak van toepassing was, luidt:
"1. In geval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen geldboete.
2. In geval van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslag genomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
3. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten."
7. Bij de stukken van het geding bevindt zich een vordering machtiging conservatoir beslag (art. 103 Sv) van 15 maart 2001. Deze vordering houdt onder meer in:
"Overwegende dat de verdachte beschikt over voorwerpen, waarop verhaal als voornoemd kan worden genomen en die vatbaar zijn voor conservatoir beslag, onder meer voorwerpen als aangegeven in het proces-verbaal van 8 maart 2001, opgemaakt door G. Bouma (...)
Overwegende, dat het maximum bedrag waarvoor het beslag wordt verlangd een bedrag van fl. 2.000.000,= zegge twee miljoen gulden niet te boven zal gaan."
8. Aan de voet van de vordering bevindt zich een ondertekende machtiging conservatoir beslag van 19 maart 2001, inhoudende:
"De Rechter-Commissaris voornoemd,
verleent hierbij op de gronden als opgemeld, de machtiging tot het leggen / handhaven van conservatoir beslag als hiervoor bedoeld tot een maximum van: Fl. 2.000.000,=
Zegge: twee miljoen gulden".
9. Het zich bij de stukken van het geding bevindende proces-verbaal van 8 maart 2001, opgemaakt door G. Bouma, houdt onder meer in dat verzoeker over de navolgende voorwerpen beschikt, waarop verhaal kan worden genomen en die vatbaar zijn voor conservatoir beslag: een bedrag aan contant geld van f. 30.112,80; een personenauto merk Citroen; het eindvermogen van verzoeker over 1998 ten belope van f. 306.409,41; spaartegoeden ten belope van f. 122.767,80. Het door verzoeker wederrechtelijk verkregen voordeel wordt in dit proces-verbaal voorshands (afgerond) geschat op minimaal twee miljoen gulden.
10. De opgetelde waarde van de evenvermelde voorwerpen waarover verzoeker volgens voormeld proces-verbaal vermocht te beschikken blijft ver onder het door deze Bouma geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van twee miljoen gulden. Gelet op die omstandigheid wekt het geen verbazing dat in de vordering machtiging conservatoir beslag wordt gerept over "onder meer" de voorwerpen als aangegeven in het proces-verbaal van 8 maart 2001, opgemaakt door G. Bouma.
11. Tegen deze achtergrond en gelet op de formulering van de vordering van de officier ("onder meer") is 's hofs oordeel dat de machtiging niet louter is beperkt tot hetgeen in het proces-verbaal van 8 maart 2001 is opgesomd - in welk oordeel besloten ligt dat de rechter-commissaris tevens machtiging heeft verleend tot het leggen van conservatoir beslag op andere dan de in voormeld proces-verbaal weergegeven voorwerpen - niet onbegrijpelijk. Evenmin geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ik merk daarbij nog op dat, anders dan het middel blijkens de toelichting betoogt, uit (art. 94c Sv j°) art. 700, tweede lid (oud), Rv niet als aan de machtiging te stellen eis voortvloeit dat daarin wordt vermeld op welke specifieke voorwerpen beslag mag worden gelegd.
12. Het middel faalt.
13. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte het verweer heeft verworpen dat het openbaar ministerie wegens strijd met beginselen van een goede procesorde niet meer bevoegd is gebruik te maken van een machtiging nadat ruim 22 maanden zijn verstreken tussen het verlenen van die machtiging en de feitelijke beslaglegging.
14. Het hof heeft blijkens zijn beschikking als volgt overwogen, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:
"Namens de klager is in raadkamer aangevoerd, dat aan de conservatoire beslagen de rechtmatigheid ontbreekt, (...)
b. omdat het openbaar ministerie niet meer bevoegd was op om 22 en 27 januari 2003 gebruik te maken van de machtiging van de rechter-commissaris, wegens strijd met beginselen van een behoorlijke procesorde; (...)
() [Het hof] overweegt (), dat de omstandigheid dat na 22 maanden alsnog is overgegaan tot conservatoir beslag op basis van de machtiging van de rechter-commissaris niet in strijd is met de beginselen van een goede procesorde nu () bij de uitspraak in de ontnemingszaak in eerste aanleg een betalingsverplichting van grote omvang is opgelegd en van dit vonnis hoger beroep is ingesteld. (...)
In het klaagschrift wordt voorts aangevoerd dat het handhaven van het derdenbeslag onder [A] en onder [B] vexatoir is, omdat het openbaar ministerie gelet op de waarde van de gelegde beslagen reeds ruim voldoende zekerheid heeft voor de in eerste aanleg opgelegde ontnemingsmaatregel. Wat daarvan overigens zij, in aanmerking nemende, dat de vordering van het openbaar ministerie tot ontneming € 522.323,00 heeft bedragen en (ook) het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank in de ontnemingszaak, moet worden geoordeeld, dat het belang van strafvordering zich verzet tegen de gehele of gedeeltelijke opheffing van het beslag."
15. Aldus heeft het hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het tijdstip waarop de onderwerpelijke beslagen zijn gelegd verband houdt met de omvang van de in eerste aanleg opgelegde betalingsverplichting in de zin van art. 36e Sr, en tevens met de omstandigheid dat tegen die beslissing hoger beroep is ingesteld. Het hof heeft voorts geoordeeld dat (het tijdstip van) de inbeslagneming niet strijdig is met beginselen van een goede procesorde. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, kan dit oordeel in cassatie niet verder ten toets komen.
16. Het middel faalt.
17. Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte het verweer heeft verworpen dat de beslagen onrechtmatig zijn gelegd omdat de officier van justitie ten tijde van de inbeslagneming niet meer bevoegd was om opdracht te geven tot het leggen van beslag nu de zaak reeds diende in hoger beroep.
18. Het hof heeft blijkens zijn beschikking als volgt overwogen, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:
"Namens de klager is in raadkamer aangevoerd, dat aan de conservatoire beslagen de rechtmatigheid ontbreekt, (...)
omdat de beslagen zijn gelegd door de officier van justitie en niet door de advocaat-generaal, hoewel reeds hoger beroep was ingesteld. (...)
Door de omstandigheid dat beslag is gelegd door de officier van justitie en niet door de advocaat-generaal wordt de klager niet in zijn belangen geschaad, nu de advocaat-generaal bevoegd en in staat is de beslissing van de officier van justitie te handhaven, ongedaan te maken of te wijzigen."
19. Het middel berust op de opvatting dat, nu de ontnemingszaak inmiddels de appèlfase had bereikt, slechts de advocaat-generaal bevoegd was tot het leggen van conservatoir beslag in de zin van art. 94a Sv. Die opvatting vindt geen steun in het recht. De centrale autoriteit bij het leggen van conservatoir beslag is de officier van justitie. Zulks komt tot uitdrukking in het stelsel van art. 103 (oud) Sv en art. 126b Sv. In het midden kan daarom blijven hetgeen het hof heeft overwogen.
20. Het middel faalt.
21. De middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad ambtshalve de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG