Nr. 00744/05
Mr. Vellinga
Zitting: 15 november 2005
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens diefstal, meermalen gepleegd, bij verstek veroordeeld tot een maand gevangenisstraf. Verder heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 113,45 en aan de verdachte tot dit bedrag een betalingsverplichting opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld. Tot slot heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf.
2. Namens verdachte hebben mr. G.P. Hamer en mr. A.M. Ficq-Kengen, advocaten te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt over schending van het recht op behandeling van de zaak binnen de in art. 6 EVRM bedoelde redelijke termijn. Het voert aan dat tussen het moment van instellen van cassatie en dat van ontvangst van de stukken ter griffie van de Hoge Raad meer dan acht maanden zijn verstreken.
4. Op 21 mei 2004 is namens verdachte cassatie ingesteld. Het procesdossier is op 10 maart 2005 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit betekent dat de door de Hoge Raad op acht maanden bepaalde inzendtermijn met ruim anderhalve maand is overschreden. In zoverre is het middel terecht voorgesteld. Gelet op de mate van overschrijding en de opgelegde straf kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.(1)
5. Het middel is tevergeefs voorgedragen.
6. Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten de zaak terug te wijzen naar de Rechtbank, nu onduidelijk is of de betekening van de dagvaarding in eerste aanleg op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Het middel wijst erop dat de dagvaarding om op de zitting in eerste aanleg te verschijnen blijkens de dagtekening daarvan door de officier van justitie is ondertekend op 11 april 2001, terwijl blijkens de akte van uitreiking op 9 april 2001 tevergeefs is geprobeerd de dagvaarding op verdachtes GBA-adres uit te reiken. Volgens het middel kan uit de stukken niet volgen dat de dagvaarding van 11 april 2001 op de juiste wijze aan verdachte is betekend.
7. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is de dagvaarding niet in persoon betekend en is verdachte bij verstek en zonder dat namens hem een raadsman is verschenen veroordeeld. In een dergelijke situatie dient het Hof ambtshalve de geldigheid van de inleidende dagvaarding te onderzoeken.(2) Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat uit dit onderzoek niet is gebleken van een defect in de betekening van de inleidende dagvaarding.
8. In de toelichting op het middel wordt met juistheid gesteld, dat de akte van uitreiking inhoudt dat een stuk met het parketnummer 14/015291-00 op 9 april 2001 is aangeboden op verdachtes GBA-adres. De vraag is of - zoals het Hof kennelijk heeft aangenomen - dat stuk de dagvaarding is met bovengenoemd parketnummer die zich in het dossier bevindt als enige dagvaarding voor de zitting in eerste aanleg. Het middel wijst er terecht op dat gezien de datum van die dagvaarding - 11 april 2001 - die dagvaarding niet op 9 april 2001, dus twee dagen voordat deze uitging, kan zijn aangeboden op verdachtes woonadres. Naar mijn mening kan er ook anderszins geredelijk van worden uitgegaan dat de dagvaarding van 11 april 2001 niet de dagvaarding is waarop de akte van uitreiking betrekking heeft. Het dossier bevat immers niet alleen het dubbel van de dagvaarding van 11 april 2001 maar ook het origineel, terwijl het origineel volgens de akte op 20 april 2001 per gewone brief naar verdachtes GBA-adres is gezonden.
9. Van betekening van de zich in het dossier bevindende inleidende dagvaarding van 11 april 2001 blijkt dus niet. In het dossier ontbreekt een stuk waarop de akte van betekening wel betrekking zou kunnen hebben. Een en ander maakt het in het veroordelend arrest besloten liggend oordeel van het Hof dat de inleidende dagvaarding - kennelijk de dagvaarding van 11 april 2001 - op de juiste wijze is betekend, onbegrijpelijk.
10. In zoverre slaagt het middel.
11. Anders dan het middel wil had het Hof in genoemde onbegrijpelijkheid geen reden behoeven te zien de zaak terug te wijzen naar de eerste rechter. Als de inleidende dagvaarding niet (op de juiste wijze) betekend is, dient deze immers nietig verklaard te worden (art. 278 lid 1 jo 415 Sv).
12. In aanmerking genomen dat het dubbel van enige inleidende dagvaarding waarop de akte van uitreiking betrekking zou kunnen hebben ontbreekt, en niet valt te verwachten dat deze na terugwijzing naar de feitenrechter alsnog boven water komt, meen ik dat het ten dele slagen van het middel er niet alleen toe moet leiden dat het arrest van het Hof wordt vernietigd, maar doelmatigheidshalve ook dat de inleidende dagvaarding door de Hoge Raad nietig wordt verklaard.
13. Terzijde merk ik nog op dat de dagvaarding in hoger beroep op te korte termijn is betekend, namelijk op 9 oktober 2002 voor de zitting van 18 oktober 2002 , dus op een kortere termijn dan de in art. 413 lid 1 Sv voorgeschreven termijn van tien dagen. Hoewel art. 413 lid 1 jo. art. 265 lid 3 Sv voor zo'n geval voorschrijft dat het onderzoek ter terechtzitting wordt geschorst met als gevolg dat de verdachte voor een nieuwe terechtzitting moet worden opgeroepen waarbij de wettelijk voorgeschreven termijn alsnog in acht kan worden genomen, heeft het Hof daarvan afgezien. Over dit verzuim klaagt de verdachte in cassatie niet. Daarom mag worden aangenomen dat de verdachte door dit verzuim niet is geschaad en ga ik aan dit gebrek voorbij.
14. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en nietigverklaring van de inleidende dagvaarding.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 15 oktober 2002, nr. 01949/01 (LJN: AE7382); HR 18 november 2003, nr. 02808/02 (LJN: AL8475) en HR 10 november 2004, nr. 00136/04 (LJN: AR3665).
2 HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317, rov. 3.28 en 3.29.