Nr. 03035/05
Mr Machielse
Zitting 14 maart 2006
Conclusie inzake:
[verdachte](1)
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft op 20 september 2005 verstaan dat verdachte tegen de verstekveroordeling van de Kantonrechter te Rotterdam van 21 juni 2002 voor overtreding van de bepaling van de Algemene Plaatselijke Verordening van Rotterdam, waarbij verdachte een geldboete van € 45,- is opgelegd, geen hoger beroep maar beroep in cassatie heeft ingesteld en dienvolgens het dossier naar de griffier van de Hoge Raad toegezonden.
2. Verdachte heeft op 11 januari 2005 tegen de verstekveroordeling door de Kantonrechter hoger beroep ingesteld.
3.1. Ten tijde van de beslissing in eerste aanleg luidde art. 404 Sv aldus dat verdachte tegen een vonnis, als einduitspraak door een rechtbank ter zake van een overtreding gewezen en waarbij verdachte niet van de gehele tenlastelegging is vrijgesproken, hoger beroep openstaat tenzij (lid 2 onder b) geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum van € 50.
Omdat in de onderhavige zaak een geldboete van € 45,- is opgelegd stond inderdaad geen hoger beroep open. Wel evenwel verzet op de voet van art. 399 lid 1 jo. lid 3 Sv en geen cassatie, ook al staat dat tegen vonnissen betreffende overtredingen van verordeningen van lagere overheden nog open ongeacht de hoogte van de opgelegde boete (art. 404 lid 3 Sv). Ingevolge art. 427 lid 4 Sv schorst immers verzet de rechtsgevolgen van het cassatieberoep indien, zoals hier het geval is, beide rechtsmiddelen openstaan.
3.2. Uit de stukken van het geding blijkt echter niet dat gedurende twee jaren na het verstekvonnis van de kantonrechter enige daad van vervolging is verricht. De conversiebeslissing van het hof is de eerste daad van vervolging na het verstekvonnis waarvan uit de stukken kan blijken. De in art. 70, aanhef en onder 1°, Sr bepaalde termijn van verjaring is dus vervuld, zodat het recht tot strafvordering is vervallen. Uit het oogpunt van proceseconomie lijkt het mij niet zinvol het ingestelde hoger beroep alsnog te converteren in verzet.
4. Dit brengt mij tot de conclusie dat het bestreden verstekvonnis dient te worden vernietigd en de officier van justitie alsnog niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met de zaak nr. 03034/05 waarin ik ook heden concludeer.