Nr. 01362/05
Mr. Vellinga
Zitting: 21 maart 2006
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 1 december 2004 wegens (1 subsidiair) medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd, en (2) medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier voorwaardelijk. Voorts is de tenuitvoerlegging bevolen van het bij vonnis van de Rechtbank van 18 februari 2002 opgelegde voorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf in die zin dat een gedeelte van vier maanden zal worden ten uitvoer gelegd, en wel in dier voege dat het zal worden omgezet in een werkstraf van tweehonderdveertig uren subsidiair honderdtwintig dagen hechtenis, en dat van de overige vier maanden de proeftijd zal worden verlengd met één jaar.
2. Namens verdachte heeft mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. De middelen klagen dat het Hof ten onrechte de beslissing tot voeging van bij één dagvaarding aangebrachte zaken niet ongedaan heeft gemaakt hoewel de verdachte daardoor is benadeeld. Omdat hem ter zake van de afgesplitste feiten een taakstraf van 120 uur is opgelegd, zou het, gelet op het maximaal aantal uren werkstraf van 240 uur (art. 22c lid 2 Sr), als de zaken niet waren gesplitst volgens de toelichting op de middelen niet mogelijk geweest in de onderhavige zaak alsnog de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf te bevelen in de vorm van een werkstraf van 240 uur.
4. De middelen gaan er aan voorbij dat de beslissing tot splitsing is voorbehouden aan de feitenrechter en zich niet leent voor toetsing in cassatie.(1) Na splitsing is sprake van afzonderlijke zaken, zodat het maximum aantal uren werkstraf als bedoeld in art. 22c, tweede lid, Sr geldt voor iedere zaak afzonderlijk. De middelen kunnen daarom verder onbesproken blijven.
5. Ik merk nog op niet blijkt dat zijdens verdachte in hoger beroep bezwaar is gemaakt tegen de beslissing tot splitsing van de Rechtbank.
6. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie HR 20 april 2004, NJ 2005, 241. Zie voor de beslissing tot voeging HR 4 oktober 1983, NJ 1984, 237; HR 2 december 1986, NJ 1987, 570.