Griffienr. 02792/05 A
Mr. Wortel
Zitting:6 juni 2006
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba (hierna: het Hof) waarbij verzoeker wegens (1) "medeplegen van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl tijdens het begaan van het misdrijf nog geen twee jaren zijn verlopen sedert de schuldigverklaarde een tegen hem op grond van artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht en op grond van één der in artikel 11a, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930 genoemde misdrijven uitgesproken gevangenisstraf geheel of ten dele heeft ondergaan, strafbaar gesteld bij artikel 325 jo 323 jo 49 jo 438, lid 1 en lid 2, van het Wetboek van Strafrecht" en (2) "medeplegen van overtreding van het bij artikel 3 van de Vuurwapenverordening 1930 gestelde verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11 van die Landsverordening, meermalen gepleegd" is veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf.
2. Namens verzoeker heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
Deze zaak hangt samen met de zaken die bij de Hoge Raad bekend zijn onder griffienummers 02790/05 A en 02791/05 A, waarin ik heden eveneens concludeer.
3. Het eerste middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring ter zake van het onder 1 tenlastegelegde niet naar behoren met redenen is omkleed, aangezien de strafverhogende omstandigheid dat verzoeker binnen de voorafgaande periode van twee jaar reeds eerder is veroordeeld slechts blijkt uit een uittreksel ten name van verzoeker uit het justitieel documentatieregister. Dat is, zo wordt betoogd, een "ander geschrift" als bedoeld in art. 387, eerste lid, aanhef en onder e Sv NA, dat slechts tot bewijs kan dienen in samenhang met een ander bewijsmiddel in de zin van art. 387 Sv NA, terwijl zo een ander bewijsmiddel ontbreekt.
4. Een uittreksel uit het justitieel documentatieregister is aan te merken als een geschrift, opgemaakt door een openbaar college of een ambtenaar, betreffende een onderwerp behorende tot de onder zijn beheer gestelde dienst en bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, als bedoeld in art. 387, eerste lid, aanhef en onder c Sv NA. Een dergelijk geschrift heeft zelfstandig bewijskracht, zodat het middel faalt.
5. Het tweede middel strekt ten betoge dat het Hof heeft verzuimd een (toereikend gemotiveerde) beslissing te geven op een verweer ten aanzien van de strafmaat.
6. Anders dan de steller van het middel kan ik in het desbetreffende betoog geen verzoek zien om met toepassing van art. 11, derde lid Sv NA wettelijke bepalingen omtrent een minimale strafduur terzijde te stellen. Het is naar mijn inzicht niet anders dan een breedvoerig verzoek om clementie, in welk verband is betoogd dat de eerste rechter op verkeerde gronden een langdurige gevangenisstraf heeft opgelegd.
Het passeren van een dergelijk verzoek behoeft geen nadere motivering, terwijl de door het Hof bepaalde straf niet onbegrijpelijk is in het licht van de omstandigheden die het Hof met het oog op de straftoemeting heeft genoemd.
Het middel faalt derhalve.
7. De middelen lenen zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,