Nr. 02372/05
Mr Machielse
Zitting 5 september 2006
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verdachte bij verstek op 4 mei 2005 voor overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot een geldboete van € 600,00 en tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vier maanden.
2. Mr. B.G.M. Frencken, advocaat te 's-Hertogenbosch, heeft cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof er geen blijk van heeft gegeven te hebben onderzocht of artikel 51 Sv in eerste aanleg was nageleefd. De steller van het middel wijst erop dat uit het dossier blijkt dat mr. R.V. Hagenaars namens verdachte een klaagschrift heeft ingediend tegen de inhouding van diens rijbewijs. In HR NJ 1997, 517 deed zich de vergelijkbare situatie voor dat verdachte werd bijgestaan in een klaagschriftprocedure tegen inhouding van het rijbewijs door een advocaat die niet op de hoogte is gebracht van de zitting van de rechter in de strafzaak. De Hoge Raad oordeelde dat dit wel had gemoeten omdat het niet om verschillende procedures ging.
3.2. Het dossier bevat de volgende stukken, voorzover hier van belang:
- een klaagschrift ex artikel 164 lid 8 WVW 1994 van mr. R.V. Hagenaars strekkende tot teruggave aan [verdachte] van zijn op 5 februari 2003 ingevorderde rijbewijs;
- een procesverbaal van het onderzoek in raadkamer van de Rechtbank Maastricht van 14 maart 2003 van het klaagschrift van verdachte, inhoudende de beslissing van de rechter om de behandeling van het klaagschrift aan te houden tot 28 maart 2003, gelet op een bericht van verhindering van de raadsman van klager;
- de oproeping van mr. R.V. Hagenaars om te verschijnen op 28 maart 2003 bij de behandeling van het klaagschrift van verdachte;
- de beschikking van de rechtbank te Maastricht, inhoudende de ongegrondverklaring van het klaagschrift, en vermeldende dat de raadsman van klager, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting van de raadkamer is verschenen;
- de dagvaarding van verdachte om ter terechtzitting van de kantonrechter te Maastricht te verschijnen op 3 november 2003 waarop niet is vermeld dat een afschrift aan de raadsman is verstrekt;
- de aantekening mondeling vonnis blijkens welke de kantonrechter te Maastricht verdachte op 3 november 2003 bij verstek heeft veroordeeld;
- een brief van mr. R.V. Hagenaars aan de voorzitter van de strafkamer van het hof, blijkens een daarop geplaatst stempel op 16 februari 2005 ontvangen, waarin mr. Hagenaars schrijft evenals verdachte verhinderd te zijn ter terechtzitting te verschijnen om de behandeling van de strafzaak tegen verdachte in hoger beroep bij te wonen, en verzoekt om de zaak terug te verwijzen naar de kantonrechter te Maastricht omdat hij geen afschrift van dagvaarding in eerste aanleg heeft ontvangen.
Gelet op deze stukken rijst uit het dossier het rechtstreeks en ernstig vermoeden dat in eerste aanleg artikel 51 Sv niet is nageleefd. Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is van zo grote betekenis dat, al wordt dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan geacht moet worden aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten de tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan, behoudens het geval dat door de rechter voor wie de zaak is aangebracht in redelijkheid kan worden aangenomen dat de verdachte er geen prijs op heeft gesteld, hetzij ter terechtzitting te verschijnen en aldaar door zijn raadsman te worden bijgestaan hetzij in zijn afwezigheid zijn raadsman het woord ter verdediging te laten voeren.(1) Voor zo een uitzondering zijn geen aanwijzingen te vinden.
Het middel lijkt mij terecht te zijn voorgesteld.
4.1. Het tweede middel klaagt erover dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen zou zijn omkleed. De bewezenverklaring luidt als volgt:
"hij op 5 februari 2003, omstreeks 20.40 uur, te Heerlen als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Guido Gezellestraat, zulks terwijl zijn, verdachtes, motorrijtuig geen verlichting voerde, die weg is ingereden in strijd met een voor hem geldend bord C2 bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990,
en vervolgens op de weg, de Kerkraderweg, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 116 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, en vervolgens met hoge snelheid, in elk geval met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer terplaatse, de onoverzichtelijke splitsing of kruising van die Kerkraderweg en de wegen de Holleweg en de Oliemolenstraat is opgereden, en vervolgens rijdende op die Oliemolenstraat met zodanige snelheid en onvoorzichtig en op zodanige wijze heeft gereden en zo onvoorzichtig heeft geremd, dat hij met zijn motorrijtuig in botsing is gekomen met de voorgevel van perceel Oliemolenstraat 81 A, door welke gedragingen van verdachte telkens gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans telkens kon worden veroorzaakt en het verkeer op die weg telkens werd gehinderd, althans telkens kon worden gehinderd."
Uit het enige bewijsmiddel dat het hof heeft gebruikt zou volgens de steller van het middel niet kunnen volgen dat verdachte met de voorgevel van een huis een botsing is gekomen doordat hij onvoorzichtig zou hebben geremd.
4.2. Het middel is terecht voorgesteld, maar zou niet tot cassatie behoeven te leiden omdat de Hoge Raad de bewezenverklaring verbeterd zou kunnen lezen met weglating van dit onderdeel. Het procesverbaal dat als bewijsmiddel is gebruikt biedt voldoende grond voor de bewezenverklaring dat verdachte met zodanige snelheid en onvoorzichtig en op zodanige wijze heeft gereden dat hij tegen de voorgevel van het in de bewezenverklaring genoemde pand is gebotst. Voor de strafrechtelijke betekenis van het handelen van verdachte maakt het niet uit of de in het middel aangewezen passage uit de bewezenverklaring wordt weggelaten.
5. Het eerste middel is gegrond. De kantonrechter heeft over de hoofdzaak beslist terwijl hij aan de behandeling ten gronde niet had mogen toekomen. Het hof op zijn beurt had moeten handelen zoals is voorgeschreven in artikel 423, lid 2 Sv. Het arrest van het hof zal dienen te worden vernietigd behoudens voorzover in dat arrest het vonnis van de kantonrechter te Maastricht van 3 november 2003 is vernietigd. Om redenen van doelmatige rechtspleging zal de Hoge Raad kunnen doen wat het hof had behoren te doen en de strafzaak kunnen verwijzen naar de kantonrechter te Maastricht.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Bijv. HR NJ 1987, 983; HR NJ 1996, 557; HR 30 juni 1998, DD 98.348 (eerste middel); NJ 1998, 696; HR 27 september 2005, LJN: AU1647.