Griffienr. 02556/05
Mr. Wortel
Zitting:19 september 2006
Conclusie inzake:
[verzoeker=verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdend te Arnhem, waarbij verzoeker wegens "opzetheling" is veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van zes weken waarvan vier weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
2. Namens verzoeker heeft mr S.F.J. Smeets, advocaat te Utrecht, een schriftuur houdende één cassatiemiddel ingediend.
3. Dat bevat de klacht dat geen gemotiveerde beslissing is gegeven op een "uitdrukkelijk onderbouwd standpunt" van de verdediging, zodat het tweede lid van art. 359 Sv niet is nageleefd.
4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aldaar aangevoerd, voor zover hier van belang:
"Er was onvoldoende aanleiding om cliënt aan te houden. De politie zag de fiets staan en zag dat het slot kapot was. Mag je op grond daarvan mensen meenemen? Misschien stonden ze daar alleen maar te praten. Mijns inziens moet er meer zijn om de verdenking concreet te maken. Cliënt stond alleen in de buurt van de fiets. De politie heeft cliënt meegenomen omdat hij een veelpleger is en bekend zou staan als fietsendief. Ik concludeer tot vrijspraak van het tenlastegelegde feit."
5. Het hof heeft dienaangaande overwogen en beslist:
"Het hof is van oordeel dat de omstandigheden, waaronder de politieambtenaren verdachte en zijn vrienden in de nabijheid van de kennelijk gestolen fiets aantroffen, voldoende grond vormden voor een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, bijvoorbeeld diefstal of heling van die fiets. Het verweer, dat dit niet het geval zou zijn, wordt daarom verworpen."
6. Het proces-verbaal dat het Hof heeft genoemd als bewijsmiddel 3 (en dat zich bevindt bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken) houdt in, samengevat, dat:
* de verbalisanten drie manspersonen zagen staan naast een damesfiets;
* verzoeker één van de verbalisanten bekend was als een fietsendief:
* het de verbalisanten opviel dat er een plastic zak op of aan de fiets bevestigd was, waarop zij de fiets nader hebben bekeken;
* zij daarbij waarnamen dat het slot verbroken was, en de plastic zak kennelijk diende om dit te verhullen;
* de verbalisanten in de omgeving geen andere personen hebben gezien.
7. De beslissing op het verweer getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
8. Het middel faalt en leent zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,