Griffienr. 02597/05
Mr. Wortel
Zitting:19 september 2006
Conclusie inzake:
[verdachte = verzoeker]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarbij verzoeker wegens (1) "met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd" en (2) "een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt is betrokken, vervaardigen en in bezit hebben, meermalen gepleegd" is veroordeeld tot vierentwintig maanden gevangenisstraf, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en een bijzondere voorwaarde.
Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, en verzoeker een betalingsverplichting opgelegd.
2. Namens verzoeker heeft mr. R.W. Koevoets, advocaat te Rotterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
3. Het enige middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit niet naar behoren met redenen is omkleed, aangezien het Hof heeft verzuimd een gemotiveerde beslissing te geven op het verweer dat een door de aangever afgelegde verklaring vals en/of onbetrouwbaar is.
4. Het verweer hield samengevat in dat de seksuele relatie tussen verzoeker en de aangever met wederzijdse instemming is ontstaan, en dat de aangever uit geldzucht zijn voor verzoeker belastende verklaringen heeft afgelegd. Voorts heeft de raadsman omstandig betoogd dat de valsheid of onbetrouwbaarheid van die door de aangever afgelegde verklaringen blijkt uit tegenstrijdigheden en onopgehelderde of met andere bewijsmiddelen strijdige punten.
5. Voor zover het middel op de gedachte berust dat dit ter verdediging gehouden betoog een verweer is dat ingevolge art. 359, tweede lid, Sv - zoals de bepaling sinds 1 januari 2005 is gaan luiden - een afzonderlijke en met redenen omklede beslissing vergt, is het tevergeefs voorgesteld aangezien een tot bewijs gebezigde geneeskundige verklaring betreffende bij de aangever geconstateerd letsel steun geeft aan de juistheid van diens verklaring, voor zover inhoudende dat verzoeker handelingen heeft verricht die vallen onder het begrip 'seksueel binnendringen van het lichaam'.
Voor zover het terechtzitting aangevoerde is aan te merken als een "uitdrukkelijk onderbouwde standpunt" in de zin van art. 359, tweede lid, Sv vindt het derhalve een toereikende weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen, vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130.
6. Het middel faalt derhalve en het leent zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,