Nr. 03110/05
Mr. Knigge
Zitting: 26 september 2006
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. De verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens 1. en 2. "mishandeling" veroordeeld tot één maand gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een deel van een voorwaardelijk opgelegde straf en heeft het voor het overige deel daarvan de proeftijd verlengd met één jaar.
2. Namens de verdachte heeft mr. M.I. Hoogland, advocate te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt over het nalaten ambtshalve nader onderzoek te doen naar de afwezigheid van de raadsman nu in strijd met art. 51 Sv kennelijk geen afschrift van de dagvaarding aan de raadsman is verzonden.
4. Bij de stukken bevindt zich een akte van uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep, waaruit blijkt dat de dagvaarding voor de zitting van 22 juli 2005 op 3 juni 2005 op het GBA-adres is uitgereikt aan een huisgenoot die zich bereid verklaarde de brief in ontvangst te nemen en onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen. Aan die akte is tevens een overzicht gehecht waaruit blijkt dat verdachte ten tijde van de dagvaarding, drie dagen voor de zitting en op de dag van de zitting zonder resultaat is 'gevipst'.
5. Aan de cassatieschriftuur is voorts een kopie gehecht van een brief d.d. 10 mei 2005 van het ressortsparket aan mr. M.I. Hoogland, waarin wordt medegedeeld dat ervan uit wordt gegaan dat zij net als in eerste aanleg ook in hoger beroep als raadsvrouwe zal optreden. De brief bevat voorts het verzoek toch nog een stelbrief te sturen. Bij de schriftuur is die stelbrief d.d. 17 mei 2005 gevoegd. Beide stukken heb ik niet in het dossier aangetroffen. Op de zitting in hoger beroep van 22 juli 2005 zijn noch de verdachte noch zijn raadsvrouw verschenen.
6. Het aan de Hoge Raad toegezonden dossier bevat wel een brief van 6 juni 2005 aan mr. M.I. Hoogland waarin haar wordt meegedeeld dat de zitting in hoger beroep zal plaatsvinden op 22 juli 2005. Onderaan de brief staat vermeld "exemplaar bestemd voor dossier". Op het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep staat vermeld dat een afschrift is verstrekt aan de raadsvrouw op 6 juni 2005. Opmerkelijk is echter dat het dossier nog een tweede brief van 6 juni 2005 bevat, die vrijwel identiek is aan de eerste(1) maar waaronder in plaats van "exemplaar bestemd voor dossier" staat vermeld "Dit formulier s.v.p. meenemen". Een ander verschil is dat de eerste, voor het dossier bestemde brief voorzien is van een paraaf van de griffier, terwijl de tweede brief door de griffier is voorzien van een compleet ogende handtekening.
7. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het Hof de geldigheid van de betekening van de dagvaarding aan de verdachte onderzocht en geconcludeerd dat de dagvaarding rechtsgeldig is betekend en er geen beletselen zijn voor het verlenen van verstek. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt niet of het Hof heeft onderzocht waarom de raadsvrouwe niet aanwezig was. Tegen dat laatste richt het middel zich. Het Hof had volgens het middel moeten onderzoeken of was voldaan aan art. 51 Sv en of er een reden was voor de afwezigheid van de raadsvrouwe.
8. Artikel 51 van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt:
"Ten aanzien van de bevoegdheid van den raadsman tot de kennisneming van processtukken en het bekomen van afschrift daarvan vinden de artikelen 30-34 overeenkomstige toepassing. Van alle stukken die ingevolge dit wetboek ter kennis van de verdachte worden gebracht ontvangt de raadsman onverwijld afschrift."
9. Vooropgesteld moet worden dat het Hof bij afwezigheid van de advocaat van een verdachte gehouden is te onderzoeken of art. 51 Sv is nageleefd. Indien uit de stukken genoegzaam volgt dat de advocaat op de hoogte is van de datum en het tijdstip van de terechtzitting, behoeft het Hof in beginsel geen verder onderzoek te verrichten naar de reden voor de afwezigheid.(2) In het geval op het dubbel van de dagvaarding de vermelding staat dat een afschrift aan de advocaat is verzonden, dient het Hof niettemin nader te onderzoeken of een afschrift daadwerkelijk is verzonden.(3) Onder omstandigheden moet zelfs nader onderzoek worden verricht indien zich bij de stukken bovendien een dossierexemplaar bevindt van een brief aan de advocaat over de datum van de zitting.(4)
10. De aanwezigheid van de tweede brief van 6 juni 2005 aan de raadsvrouwe, waarin datum en tijdstip van de zitting staan vermeld, had het Hof mijns inziens ertoe moeten brengen nader te onderzoeken of die brief of een afschrift van de dagvaarding nu wel of niet aan de raadsvrouwe is verstuurd. Het is mijns inziens niet onaannemelijk dat de tweede brief het exemplaar is dat aan de raadsvrouwe had moeten worden verzonden. Van een dergelijk onderzoek blijkt niet. Daarom lijdt het onderzoek ter zitting in hoger beroep aan nietigheid, zodat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven.
11. Het middel is terecht voorgesteld.
12. Gronden waarop de uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest en tot zodanige op art. 440 Sv berustende beslissing als aan de Hoge Raad gepast voorkomt.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Er is slechts meer ruimte gelaten tussen de adressering en de datering van de brief en na het parketnummer is "(7e)" toegevoegd.
2 HR 9 december 2003, NJ 2004, 133. Zie ook HR 11 juni 2002, NJ 2002, 582.
3 HR 1 juli 1997, NJ 1997, 675 en HR 12 januari 1999, NJ 1999, 276. Dit uitgangspunt lijkt enigszins te worden weersproken door HR 1 juli 2003, Nieuwsbrief Strafrecht 2003, 325. Daarin overweegt de Hoge Raad dat "noch uit de mededelingen gesteld op dat dubbel, noch uit enig ander aan de Hoge Raad gezonden stuk kan blijken dat een afschrift van de dagvaarding aan de raadsvrouwe is gezonden" en komt op grond daarvan tot het oordeel dat art. 51 Sv (vermoedelijk) niet is nageleefd (r.o. 2.2.; vgl r.o. 4.2.4 van het in de vorige noot genoemde NJ 2002, 582). Daarin zou gelezen kunnen worden dat de mededeling op het dubbel voldoende is om vast te stellen dat art. 51 Sv is nageleefd. Ik meen echter dat dit niet de bedoeling is en dat slechts sprake is van een feitelijke vaststelling waaraan vervolgens consequenties worden verbonden. Dit vindt mijns inziens bevestiging in de omstandigheid dat de Hoge Raad in r.o. 3.3. van HR 9 december 2003, NJ 2004, 133 zich niet beperkt tot de constatering dat op het dubbel staat vermeld dat een afschrift aan de advocaat is verstuurd.
4 Niet in HR 8 september 1998, NJ 1998, 905, maar wel in HR 21 april 1998, NJ 1996, 696.