Griffienr. 00562/06 B
Mr. Wortel
Zitting:31 oktober 2006
Conclusie inzake:
[Klager]
1. Dit cassatieberoep betreft een beschikking van de Rechtbank te Amsterdam waarbij een klaagschrift strekkende tot teruggave van een onder verzoeker in beslag genomen hond ongegrond is verklaard.
2. Namens verzoeker hebben mrs G.P. Hamer en B.P. de Boer, advocaten te Amsterdam, een schriftuur houdende één cassatiemiddel ingediend.
3. Het middel bevat de klacht dat de behandeling in raadkamer, en daarmee de beschikking, nietig zijn omdat in het proces-verbaal van die behandeling niet is vermeld dat zij in het openbaar heeft plaatsgevonden, terwijl ook de beschikking niet vermeldt dat zij in het openbaar is vermeld.
4. De op 21 oktober 2005 gegeven beschikking houdt in dat de Rechtbank op 6 oktober 2005 klager en de officier van justitie "in openbare raadkamer" heeft gehoord.
Het van die behandeling in raadkamer opgemaakte proces-verbaal vermeldt dat de beschikking op 21 oktober 2005 "uitgesproken zal worden in openbare raadkamer".
5. Vanzelfsprekend behoorde de Rechtbank in het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer nadrukkelijk te vermelden of de behandeling in openbaarheid heeft plaatsgevonden, terwijl even vanzelf spreekt dat de rechtbank er op toe had behoren te zien dat op enigerlei wijze kan blijken dat de bestreden beschikking inderdaad tijdens een openbare zitting is uitgesproken.
6. Maar ach, welk belang kan hier zijn geschaad door het ontbreken van die nadrukkelijke vermeldingen? Heeft één van ons, voor zover behept met enige ervaring in de rechtspraak, ooit publiek gezien bij de uitspraken van een rekestenraadkamer? Publieke controle op de rechtspraak is een hoog goed, doch laat ons alsjeblieft blijven nagaan of enig verzuim op dit punt werkelijk nadelige gevolgen kan hebben.
7. Daarom stel ik mij op het standpunt dat in dit geval op grond van de hiervóór, onder 4, genoemde mededelingen kan worden aangenomen dat de behandeling van het klaagschrift in het openbaar heeft plaatsgevonden, terwijl ook de bestreden beschikking in het openbaar is uitgesproken.
8. Dit is geen aanmoediging aan de Rechtbank om het voortaan bij dergelijke terloopse mededelingen te laten, en ik heb overwogen de rechtbank in de gelegenheid te stellen alsnog te laten weten of het lid van de enkelvoudige kamer en de griffier ervoor in kunnen staan dat art. 552, zesde lid, Sv en art. 24, eerste lid, tweede volzin, Sv daadwerkelijk zijn nageleefd. Dat lijkt mij in dit geval niet nodig, maar als de Hoge Raad daar anders over denkt ben ik uiteraard gaarne bereid alsnog nadere inlichtingen bij de Rechtbank in te winnen.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,