Griffienr. 00176/06 B
Mr. Wortel
Zitting:31 oktober 2006
Conclusie inzake:
[Verzoekster]
1. Dit cassatieberoep betreft een beschikking van de Rechtbank te Amsterdam waarbij een namens [klaagster] ingediend klaagschrift gegrond is verklaard, en de teruggave van een hond aan die [klaagster] is gelast.
2. Namens verzoekster heeft mr J.E. Hoetink, advocaat te Utrecht, een schriftuur houdende een cassatiemiddel ingediend.
3. Het is de vraag of dat middel wel kan worden besproken, in verband met de ontvankelijkheid van klaagster in dit beroep. In de schriftuur is het standpunt betrokken dat klaagster ontvankelijk is omdat zij in deze procedure als belanghebbende is aangemerkt. Er wordt verwezen naar HR NJ 1997, 387.
4. In art. 552d, eerste lid, Sv is bepaald dat een beschikking als de onderhavige onverwijld aan de klager moet worden betekend, terwijl in het tweede lid van deze bepaling voor die klager binnen zekere termijn cassatieberoep is opengesteld.
Aan deze voorschriften is in HR NJ 1997, 387 een zekere uitbreiding gegeven met het oog op de wetsgeschiedenis. Daaruit blijkt dat de wetgever de positie van andere rechthebbenden dan degene onder wie strafvorderlijk beslag is gelegd heeft willen versterken. Daarom heeft de Hoge Raad bepaald dat, indien de officier van justitie zo een rechthebbende heeft bericht voornemens te zijn het inbeslaggenomene aan hem terug te geven, die "ander" voor de toepassing van art. 552d Sv op één lijn moet worden gesteld met de beslagene. De naar aanleiding van een klaagschrift gegeven beschikking dient dus ook aan die "ander" te worden betekend, en vervolgens kan (binnen de gestelde termijn) ook deze "ander" in cassatie komen.
5. In de nu te beoordelen zaak doet zich een andere situatie voor. Er is geen sprake van een aangekondigd voornemen van de officier van justitie tot teruggave, doch die teruggave aan verzoekster was reeds gerealiseerd. Ik licht dat zo kort mogelijk toe. Op zeker moment heeft verzoekster aangifte gedaan van diefstal van een hond. Die hond is inbeslaggenomen en op last van de officier van justitie aan (thans) verzoekster teruggegeven, waarna [klaagster], bij wie de hond in beslag werd genomen, een klaagschrift heeft laten indienen. Partijen verschillen van inzicht (en/of herinnering) omtrent destijds gemaakte afspraken. Verzoekster stelt dat zij in contact is gekomen met [klaagster] die het laatste puppy uit een nest te koop aanbood, waarna [klaagster] die hond verzoekster heeft geschonken. [klaagster] daarentegen stelt dat verzoekster de hond enige tijd bij zich zou houden omdat [klaagster] tijdelijk niet in staat was voor die hond te zorgen, maar dat van overdracht van de hond nooit sprake is geweest.
6. Op het namens [klaagster] ingediende klaagschrift heeft de Rechtbank (overigens met toepassing van een achterhaald criterium, maar dat maakt in dit geval vermoedelijk geen verschil) de teruggave van de hond aan [klaagster] gelast. Aangenomen dat verzoekster de hond na het politie-ingrijpen bij zich heeft gehouden, is zij dus degene die aan de last tot teruggave zal moeten voldoen.
Opmerking verdient dat verzoekster bij de behandeling in raadkamer als belanghebbende in de gelegenheid is gesteld haar standpunten naar voren te brengen.
7. Verzoekster is in deze procedure dus als belanghebbende aangemerkt, maar zij is niet zonder meer te beschouwen als de in HR NJ 1997, 387 bedoelde "ander", aangezien er geen sprake is van een aangekondigd voornemen tot teruggave aan verzoekster.
8. Mij lijkt uit HR 31 januari 2006, LJN AU8268 te volgen dat verzoekster daarom geen toegang tot de Hoge Raad heeft. Het zie er naar uit dat de in HR NJ 1997, 387 gegeven uitbreiding alleen bedoeld is als remedie voor de gevallen waarin een mogelijk rechthebbende (dat ligt immers besloten in het aangekondigde voornemen van de officier van justitie om het inbeslaggenomene aan die persoon terug te geven) de mogelijkheid is onthouden zich tegen het klaagschrift van een ander te verweren. In deze zin ook R. Kuiper, Beklag tegen beslag, NJB 2005, p. 208.
9. De uiterst schrale troost voor verzoekster kan zijn dat het namens haar voorgestelde middel, indien het tot bespreking daarvan zou kunnen komen, vermoedelijk geen doel zou kunnen treffen. De Rechtbank heeft beoordeeld of "het op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is om van de hoofdregel af te wijken". Die hoofdregel is: teruggeven (zodra er geen strafvorderlijk bepaling bij handhaving van het beslag meer is) aan degene onder wie is in beslag genomen. In de rechtspraak wordt inmiddels als criterium gehanteerd of degene wie teruggave verzoekt redelijkerwijs als rechthebbende is aan te merken, vgl. HR NJ 2002, 109. De in de bestreden beschikking vastgestelde feiten komen er op neer dat er, met alle onzekerheid betreffende de uiteenlopende stellingen van partijen, voldoende aanknopingspunten zijn om [klaagster] als rechthebbende aan te merken. Dat feitelijk oordeel is niet onbegrijpelijk en zou in cassatie overigens gerespecteerd moeten worden.
10. Deze conclusie strekt ertoe dat verzoekster niet-ontvankelijk wordt verklaard in dit beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,