Nr. 03670/05
Mr. Fokkens
Zitting 12 december 2006
Conclusie inzake
[Verdachte]
1. Verdachte is op 8 juli 2005 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens list en bedrog in georganiseerd verband, veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf. Tevens heeft het Hof vorderingen van de benadeelde partijen Postbank N.V., [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] toegewezen in combinatie met de maatregel op de voet van art. 36f Sr. De benadeelde partijen [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 4] alsmede [benadeelde partij 6] zijn in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft het Hof beslist omtrent inbeslaggenomen voorwerpen.
2. Namens verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt over de bewijsconstructie van het onder 6 bewezenverklaarde feit. Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen zou het bewezenverklaarde niet kunnen volgen.
4. Ten laste van verdachte is onder 6 bewezen verklaard dat:
'hij in de maanden maart 2003 tot en met april 2003, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid de Postbank heeft bewogen tot het aangaan van een schuld, te weten een geldlening ad € 11.500,- op naam van [A], hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid zich tegenover die Postbank voorgedaan als [A], waardoor die Postbank werd bewogen tot bovenomschreven schuld'.
5. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet kan blijken dat verdachte degene is geweest die de Postbank heeft bewogen. Die klacht is in zoverre terecht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat, zoals bewezen is verklaard, verdachte zich tegenover de Postbank heeft voorgedaan als [A]. Wie zich als [A] heeft voorgedaan, laten de bewijsmiddelen zoals die zijn opgenomen in de aanvulling bij het arrest, in het duister. Het middel is derhalve gegrond.
6. Ik concludeer tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van het onder 6 bewezenverklaarde feit, de opgelegde gevangenisstraf en de verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer van op naam van [A] gestelde stukken, met in zoverre terugwijzing van de zaak ter verdere berechting op het bestaande hoger beroep en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden