Nr. 03684/05 U
Mr Machielse
Zitting 29 mei 2007
Conclusie inzake:
[de opgeëiste persoon]
1. De rechtbank Assen heeft op 10 november 2005 de executieuitlevering van de opgeëiste persoon aan de republiek Bosnië en Herzegovina toelaatbaar verklaard.
2. Mr. J. Dekens, advocaat te Odoorn, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.
3.1. Ik ontwaar in het middel twee te onderscheiden klachten. In eerste plaats verwijt de steller van het middel de rechtbank ervan uitgegaan dat het oordeel of de opgeëiste persoon een geïntegreerde vreemdeling is toekomt aan de minister en niet aan de uitleveringsrechter.
Dit onderdeel is niet onderbouwd en stuit overigens af op de rechtspraak van de Hoge Raad, die inhoudt dat de beslissing over de vraag of de uitlevering van een opgeëiste persoon zou behoren te worden geweigerd omdat hij is te beschouwen als een in Nederland geïntegreerde vreemdeling in de zin van de Nederlandse verklaring bij art. 6 EUV, niet toekomt aan de rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering beslist.(1)
3.2. Het tweede onderdeel van het middel stelt dat in de verzoekende staat momenteel een gratieverzoek en een verzoek tot herziening van de veroordeelde in behandeling zijn en dat de rechtbank daarom de uitspraak had moeten aanhouden tot in de verzoekende staat daarop was beslist. De pleitnota die blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting aldaar is voorgedragen en aan dat proces-verbaal is gehecht, bevat het verzoek de uitspraak aan te houden tot op het gratieverzoek in Bosnië is beslist. Ik kan daarin niet anders lezen dan een verzoek om de behandeling ter terechtzitting te schorsen totdat duidelijkheid is verschaft over de afloop van de in Bosnië aanhangige verzoeken.
Ingevolge de art. 330 en 328 Sv, in samenhang met art. 281, eerste lid, Sv en art. 29, eerste lid, Uitleveringswet is de rechter op straffe van nietigheid gehouden een beslissing te nemen over een verzoek tot schorsing van het onderzoek.(2) Zo een beslissing ontbreekt in de uitspraak van de rechtbank. Dat betekent dat de bestreden beslissing niet in stand kan blijven.
4. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, een dag zal bepalen waarop de zaak voor de Hoge Raad kan dienen en de opgeëiste persoon en een tolk in de Servisch-Kroatische taal zal doen oproepen te dienenden dage, met verwittiging van de advocaat van de opgeëiste persoon.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 HR NJ 2001, 163, onder meer genoemd in Handboek Strafzaken (N. Keijzer) § 91.11.9.
2 Vgl. HR 4 maart 2003, NJB 2003, blz. 798, nr. 54.