Nr. 02642/06
Mr. Vellinga
Zitting: 11 september 2007
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 26 juli 2006 wegens 'diefstal door twee of meer verenigde personen' veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken waarvan één week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd zoals in het arrest vermeld.
2. Namens verdachte hebben mrs. G.P. Hamer en B.P. de Boer, advocaten te Amsterdam, vijf middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het derde middel klaagt dat het Hof in eerste instantie heeft volstaan met het opmaken van een aantekening mondeling arrest overeenkomstig het bepaalde in art. 426 Sv hoewel zich in casu het geval voordoet van art. 425, lid 3 onder d Sv en dus ingevolge het eerste lid van art. 426 Sv niet had mogen worden volstaan met een aantekening als bedoeld in laatstgenoemde bepaling.
4. Aan de schriftuur is gehecht een overeenkomstig het bepaalde in art. 426 lid 1 Sv opgemaakte 'Aantekening mondeling arrest' dat naast enkele administratieve gegevens en de personalia van de verdachte de datum van de uitspraak, de kwalificatie, de pleegdatum en plaats, de toepasselijke wettelijke voorschriften en het dictum vermeldt. Dit stuk is getekend door de raadsheer van de enkelvoudige kamer.
5. In het onderhavige geval kon reeds daarom niet worden volstaan met een aantekening van het vonnis als bedoeld in art. 426 Sv omdat het arrest bij verstek is gewezen, de dagvaarding niet in persoon is betekend, zich geen omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting aan de verdachte bekend was(1), en de benadeelde partij zich in het strafproces heeft gevoegd (art. 426 lid 1 jo 425 lid 4 onder d, Sv).
6. Bij de stukken van het geding bevindt zich een uitgewerkt proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof waarin een aantekening van het mondeling arrest is opgenomen.
7. Dit arrest voldoet niet aan de eisen die Boek II, Titel VI, vierde afdeling van het Wetboek van Strafvordering op straffe van nietigheid stelt aan een rechterlijke uitspraak en die op grond van art. 415 Sv ook voor de uitspraak in hoger beroep gelden, ook niet wanneer in aanmerking wordt genomen dat art. 425 lid 4 onder c Sv bepaalt dat het arrest in het proces-verbaal van de terechtzitting wordt aangetekend op de wijze door de Minister van Justitie te bepalen. Zoals in de toelichting op het middel wordt opgemerkt is in dit arrest immers verzuimd de keuze voor de opgelegde vrijheidsstraf te motiveren (art. 359 lid 6 Sv jo. art. 2 sub h Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep, Besluit van 2 oktober 1996, Stb. 197(2)).
8. Het voorgaande betekent dat ik niet toekom aan de vraag of het gesignaleerde ongeoorloofde opmaken van een aantekening mondeling arrest als bedoeld in art. 426 lid 1 Sv kan worden geheeld door aantekening van het arrest in het proces-verbaal van de terechtzitting overeenkomstig het bepaalde in art. 425, leden 3 en 4 Sv.(3) In het onderhavige geval kan dat immers reeds daarom niet omdat de aantekening van het arrest in het proces-verbaal van de terechtzitting niet aan de op straffe van nietigheid voorgeschreven wettelijke eisen voldoet en dus nietig is. Anders gezegd, of nu wordt uitgegaan van de aantekening mondeling arrest als bedoeld in art. 426 lid 1 Sv of van de aantekening van het arrest in het proces-verbaal van de terechtzitting, het arrest is hoe dan ook nietig.
9. Het middel slaagt.
10. Nu het derde middel slaagt, kan bespreking van de overige middelen achterwege blijven.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 De verdachte heeft op 16 augustus 2006 beroep in cassatie laten instellen tegen het arrest van 26 juli 2006, dus meer dan veertien dagen na de uitspraak. Dat wijst er niet op dat hij van de dag van de terechtzitting op de hoogte was.
2 Vgl. Kamerstukken II, 2000-2001, 22 878, nr. 3, p. 29 voor toepasselijkheid van deze regeling op de berechting door de enkelvoudige kamer in hoger beroep, die ten tijde van de totstandkoming van de Regeling beperkt was tot berechting in hoger beroep van - kort gezegd - een aantal gevallen van rijden onder invloed c.a.
3 Zie daarover mijn ambtgenoot Machielse in zijn conclusie bij HR 30 januari 2007, LJN AZ0262, NJ 2007, 97.