Nr. 03659/06
Mr. Knigge
Zitting: 11 september 2007 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het cassatieberoep richt zich tegen een ten aanzien van de verdachte gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 september 2004 (parketnummer 23-001966-02).
2. In deze zaak is tijdig en regelmatig beroep in cassatie ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. K.K. Hansen Löve, advocate te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel strekt ten betoge dat het arrest van het Hof te Amsterdam van 23 september 2004 dient te worden vernietigd, nu de stukken van het geding in het ongerede zijn geraakt en niet meer beschikbaar zullen komen.
5. Aan de Hoge Raad is ingevolge het bepaalde in art. 434, eerste lid, Sv slechts toegezonden een getekend afschrift van de akte rechtsmiddel inzake het instellen van beroep in cassatie op 6 oktober 2004 tegen voormeld arrest.
6. Blijkens aan de strafgriffie van de Hoge Raad verzonden brieven van A.C.J. van Zeggeren, griffier bij het Hof te Amsterdam, van 31 juli 2006 en mevr. M. Ros, griffier bij het Hof te Amsterdam, van 29 november 2006 is het dossier in deze zaak zoekgeraakt. Op 23 juli 2007 heb ik telefonisch navraag laten doen bij het Hof en ook toen was het dossier nog niet boven water gekomen.
7. Bij deze stand van zaken kan niet worden nagegaan wat in het onderhavige rechtsgeding heeft plaatsgevonden. Dat brengt mee dat de bestreden uitspraak in cassatie niet kan worden getoetst en om die reden niet in stand kan blijven.
8. Het middel is gegrond.
9. Om doelmatigheidsredenen kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen en de inleidende dagvaarding nietig verklaren, aangezien na verwijzing of terugwijzing van de zaak de rechter naar wie de zaak zou worden verwezen of teruggewezen niet in staat zou zijn te beraadslagen en beslissen op de grondslag van de tenlastelegging.(1)
10. Het tweede middel bevat de klacht dat de redelijke termijn is overschreden, nu de stukken van het geding na verloop van circa 22 maanden na het instellen van het beroep in cassatie bij de strafgriffie van de Hoge Raad zijn binnengekomen.
11. Blijkens een brief van de strafgriffie van de Hoge Raad van 8 februari 2007 zijn de stukken van het geding op 2 augustus 2006 ter griffie ontvangen. Gedoeld wordt op een brief van A.C.J. van Zeggeren, griffier bij het Hof te Amsterdam, van 31 juli 2006, die bij de strafgriffie op eerdergenoemde datum is binnengekomen. In deze brief wordt er op gewezen dat het dossier in de zaak van [verdachte] niet meer voorhanden is.
12. In aanmerking genomen dat het eerste middel dient te leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de inleidende dagvaarding, behoeft het tweede middel geen nadere bespreking.
13. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigt, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de Rechtbank mocht zijn vernietigd, en de inleidende dagvaarding nietig verklaart.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie HR 12 februari 2002, NJ 2002, 302 en HR 22 oktober 2002, LJN AE7703.