Nr. 07/11361
Mr Fokkens
Zitting: 9 december 2008
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam op 5 oktober 2006 wegens poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden. Tevens heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen voor een bedrag van € 971,01 in combinatie met de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f Sr subsidiair 14 dagen hechtenis. Verder heeft het Hof nog beslissingen genomen met betrekking tot inbeslaggenomen voorwerpen.
2. Tegen deze uitspraak heeft verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr J.F. van der Brugge, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende een middel van cassatie ingediend.
4. De schriftuur moet evenwel buiten beschouwing worden gelaten nu deze op 14 mei 2008 ter griffie van de Hoge Raad is
ingekomen, zoals de ontvangen fax uitwijst. Dat is na ommekomst van de in art. 437 lid 2 Sv voorgeschreven termijn van twee maanden. De aanzegging is op 14 maart 2008 in persoon aan de verdachte is uitgereikt. Onder een maand wordt verstaan een tijd van dertig dagen (art. 136 lid 1 Sv) zodat de door de wet gestelde termijn eindigde op 13 mei 2008. De omstandigheid dat 12 mei 2008 de Christelijke tweede Pinksterdag was, leidt daarom evenmin tot verlenging van de termijn (art. 1 lid 1 Algemene termijnenwet).
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,