Griffienr. 03225/06
Mr Wortel
Zitting:4 december 2007
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam waarbij verzoeker wegens "overtreding van art. 2.3 van de Algemene Plaatselijke Verordening 1994 Amsterdam" is veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 50 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door vijfentwintig dagen hechtenis, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
2. Namens verzoeker heeft mr J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
3. Het eerste middel bevat de klacht dat art. 359, vijfde lid Sv niet is nageleefd omdat het Hof niet de bijzondere redenen heeft vermeld die de straftoemeting hebben bepaald.
4. Ik blijf koppig volhouden dat er reden is om het met de controle op de strafmotivering rustig aan te doen, met name in die gevallen waarin volkomen voorspelbaar is waarom een bepaalde straf is opgelegd. Ik zie niet waarom de toch al zwaar overbelaste rechter tijd moet besteden aan hetgeen voor zichzelf spreekt. Bij alle warme gedachten aan persoonlijke vrijheid als een krachtig te beschermen rechtsgoed en ook in aanmerking nemend dat detentie de samenleving veel geld kost, spreekt wat mij betreft zéér vanzelf dat degene die ondanks diverse eerdere veroordelingen toch weer over de schreef is gegaan rijp is voor de gevangenis. Als er dan nog iets te bespreken valt, is het hooguit de vraag welke bijzondere redenen er kunnen zijn om die straf niét op te leggen.
5. In dit geval zal ik evenwel geen poging doen de zaak overeind te houden. Hoe summier ook, de voor de straftoemeting relevante factoren moeten worden aangeduid. Dat is een duidelijk wettelijke eis, waaraan hier echt niet is voldaan.
De strafmotivering luidt
"Al het vorenstaande overwegende, acht het hof oplegging van de hierboven vermelde straffen passend en geboden"
maar er is in de aantekening van het mondeling gewezen arrest niets inhoudelijks te vinden dat als het "vorenstaande" is te beschouwen, tenzij men op de bewezenverklaring en/of de verwijzing naar de bewijsmiddelen zou willen wijzen, en dat wordt zelfs mij te gortig.
Het middel treft doel.
6. Het tweede middel behelst de klacht dat de tenlastelegging nietig verklaard had behoren te worden omdat die een onvoldoende (feitelijke) beschrijving van het aan verzoeker verweten feit inhoudt.
7. Ook daarin kan ik de steller van het middel volgen. De tenlastelegging luidt:
"hij op of omstreeks 03 april 2004 in de gemeente Amsterdam op en/of aan de openbare weg, als bedoeld in artikel 1 van de Algemene Plaatselijke Verordening van Amsterdam, te weten de Oudezijds Voorburgwal, zich op of aan die weg heeft opgehouden daar, terwijl redelijkerwijs kon worden aangenomen, dat zulks geschiedde om verdovende middelen, in de zin van Opiumwet, althans daarop gelijkende waar en/of slaap- of kalmeringsmiddelen of daarop gelijkende waar te kopen en/of te koop aan te bieden."
8. Het is een beetje moeizame zin, maar ik vermoed dat "daar" had moeten zijn "door" terwijl COMPAS daarachter een veldje biedt om met vrije tekst te omschrijven waaruit het "zich ophouden" heeft bestaan. In ieder geval meen ik, met de steller van het middel, dat het ontbreken van die nadere omschrijving in deze tenlastelegging onduidelijk maakt wat nu het verwijt is. Van iedereen die om welke reden dan ook over straat loopt, staat, zit of fietst kan worden gezegd dat hij zich daar "ophoudt". Dit is niet een uit zichzelf begrijpelijke aanduiding van verboden gedrag. Daarom zal het ongewone en onwenselijke aspect van dat "zich ophouden", zoals de gemeentelijke wetgever het wenst te bestrijden, in de tenlastelegging moeten worden opgenomen.
9. De beide middelen treffen derhalve doel, zodat ik concludeer tot vernietiging van de bestreden uitspraak, en terug- of verwijzing van de zaak teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,