Nr. 03287/06
Mr. Knigge
Zitting: 11 maart 2008
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam op 24 augustus 2006 voor de eendaadse samenloop van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en zware mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd, een en ander als nader in het arrest omschreven.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. M.W. Stoet, advocaat te 's-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel behelst klacht dat het onderzoek aan nietigheid leidt nu de pleitnota, die blijkens het proces-verbaal van de zitting van 10 augustus 2006 aan het Hof is overgelegd, zich niet bij de stukken bevindt.
5. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich niet de pleitnota die volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 augustus 2006 aan het Hof is overgelegd. Navraag van de strafgriffie van de Hoge Raad heeft een schrijven opgeleverd van de voorzitter in deze zaak, d.d. 29 mei 2007. Hij schrijft dat de pleitnota noch in het dossier dat het Hof nog ter beschikking staat, noch elders achterhaald is kunnen worden en dat, als de pleitnota zich niet bij de stukken bevindt, er van uitgegaan moet worden dat deze in het ongerede is geraakt.
6. Door het ontbreken van de pleitnota kan niet worden nagegaan of en zo ja welke verweren ter terechtzitting zijn gevoerd. Daarom strijdt dit verzuim zo zeer met de behoorlijke procesorde dat het, nu het onherstelbaar is, nietigheid van het onderzoek en van de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak met zich brengt.(1)
7. Het middel is gegrond.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
1 Vgl. HR 15 februari 2005, LJN AR5742.