ECLI:NL:PHR:2008:BC9546

ECLI:NL:PHR:2008:BC9546, Parket bij de Hoge Raad, 11-11-2008, 07/12943 U

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 11-11-2008
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 07/12943 U
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBAMS:2007:BF8838
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2008:BC9546
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken
5 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0002559 CELEX:32004L0038 EU:32004L0038

Samenvatting

Uitlevering. Aangevoerd is o.m. dat de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard omdat de o.p. als burger van de EU o.g.v. art. 12 EG-Verdrag en art. 24 van Richtlijn 2004/38/EG moet worden gelijkgesteld met een Nederlander, die o.g.v. art. 4.1 UW niet kan worden uitgeleverd ter tul van een opgelegde straf. HR: De HR laat in het midden of de o.p. binnen de personele werkingssfeer van het EG-verdrag valt, of de regeling van art. 4 UW binnen de materiële werkingssfeer van het EG-verdrag valt, en of sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen op grond van nationaliteit, aangezien i.c. een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat voor ongelijke behandeling. In geval van niet-uitlevering aan Kroatië kan de o.p. immers niet alsnog in NL worden vervolgd voor het misdrijf waarvoor hij in Kroatië is veroordeeld, terwijl een Nederlander in zo een geval o.g.v. art. 5 Sr wel alsnog hier te lande vervolgd kan worden. Daaraan doet niet af dat, zoals de raadsman heeft aangevoerd, "het verschil tussen eigen onderdanen en andere EU-burgers (...) op eenvoudige wijze kan worden geëlimineerd door rechtsmacht te vestigen voor alle gevallen waarin uitlevering moet worden geweigerd, op de wijze waarop dat ook is gebeurd in artikel 4a Sr", aangezien het treffen van een zodanige voorziening een taak van de wetgever is.

Uitspraak

Nr. 07/12943 U

Mr. Vellinga

Zitting: 15 april 2008

Conclusie inzake:

[de opgeëiste persoon]

1. Bij uitspraak van 28 september 2007 heeft de rechtbank te Amsterdam de door Kroatië verzochte uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaard.

2. Mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3. Het eerste middel klaagt dat de Rechtbank het verzoek tot uitlevering ten onrechte heeft opgevat als een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging en niet tot uitlevering ter executie.

4. De Rechtbank heeft in haar uitspraak op dit punt het volgende overwogen:

"Blijkens het uitleveringsverzoek van de Kroatische autoriteiten van 14 juni 2007, de daarbij gevoegde bijlagen en de nadien van de Kroatische autoriteiten ontvangen informatie in het dossier in de opgeëiste persoon bij vonnis van 4 maart 2005 van de Municipal Court te Cakovec bij verstek veroordeeld.

De rechtbank stelt vast dat in een emailbericht van 21 juni 2007 door het Kroatische Ministerie van Justitie is gesteld: "Please be advised that Republic of Croatia is a state to the Second Additional Protocol to the European 1957 Convention on extradition and guarantees to the person claimed the right to trial (in sense of Article 3 of the Second Add. Protocol.)"

Tevens stelt de rechtbank vast dat de "assistant Minister of Justice" van Kroatië bij brief van 10 september 2007 heeft bevestigd dat artikel 3 van het Tweede Aanvullende Protocol bij het Europees Uitleveringsverdrag van toepassing is en dat de termijn van één jaar - gedurende welke termijn de opgeeiste persoon om een nieuw proces kan vragen - aanvangt de dag volgend op de dag dat de opgeeiste persoon aan de Kroatische autoriteiten wordt overgedragen.

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de uitlevering van de opgeeiste persoon wordt verzocht ter strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten waarvoor zijn aanhouding is gelast en zoals omschreven in een door de griffier gewaarmerkte en als bijlage aan deze uitspraak gehechte fotokopie van het uitleveringsverzoek van 14 juni 2007 van de Minister van Justitie van Kroatië. Het in die bijlagen tussen [ ] geplaatste gedeelte dient als hier ingevoegd te worden beschouwd". (de omschrijving van het feit, AG)

5. Volgens de toelichting op het middel strekt het onderhavige uitleveringsverzoek tot uitlevering ter tenuitvoerlegging van een reeds opgelegde straf omdat tegen het bij verstek gewezen vonnis van de Municipal Court te Cakovec van 4 maart 2005 door een raadsman hoger beroep werd aangetekend en dit hoger beroep op 8 juli 2005 door het County Court te Cakovec is verworpen ("dismissed"). Daaraan doet volgens de toelichting op het middel niet af dat de verzoekende staat heeft verklaard dat de opgeëiste persoon tot een jaar nadat hij is uitgeleverd nog een rechtsmiddel tegen laatstgenoemde uitspraak kan aanwenden, in welk geval hij in zijn aanwezigheid zal worden berecht "with all the safeguards of the rights of the defence".

7. Gelet op laatstgenoemde verklaring van de verzoekende staat is het oordeel van de Rechtbank dat het in het onderhavige geval gaat om een verzoek tot uitlevering ter fine van vervolging niet onbegrijpelijk.(1) Daarbij teken ik aan dat niet van belang is dat het van de opgeëiste persoon afhangt of het openstaande rechtsmiddel wordt aangewend. Ik wijs in dit verband op HR 7 mei 1996, NJ 1996, 568 waarin het ook van de opgeëiste persoon afhing of van het tegen de bij verstek gewezen uitspraak openstaande rechtsmiddel gebruik zou worden gemaakt en die omstandigheid er niet aan in de weg stond dat was aangenomen dat het verzoek strekte tot uitlevering ter vervolging.

8. Anders dan het middel wil heeft de Rechtbank het beroep op de door Nederland bij art. 6 lid 1 EUV afgelegde verklaring ten aanzien van met Nederlandse onderdanen gelijk te stellen personen dus buiten bespreking mogen laten.

9. Het middel faalt.

10. Het tweede middel richt zich tegen de verwerping van het verweer dat de uitlevering ontoelaatbaar is, nu het feit naar Kroatisch recht verjaard zou zijn.

11. De Rechtbank heeft het verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman van verdachte (lees: opgeëiste persoon; AG) heeft op de gronden zoals in de ter terechtzitting overgelegde pleitnota opgenomen - kort en zakelijk weergegeven - primair het verweer gevoerd dat het strafbare feit waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht naar het Kroatische recht is verjaard, om welke reden de uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard.

(...)

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank verwerpt het primaire verweer van de raadsman. Daartoe is redengevend dat in het dossier diverse aanknopingspunten zijn te vinden voor de conclusie dat het feit waarvoor de uitlevering wordt gevraagd niet is verjaard. De rechtbank wijst in dit verband op de door de Kroatische autoriteiten overgelegde wetsbepalingen inzake verjaring. Voorts is van belang de omstandigheid dat zoals blijkt uit overweging op pagina 3, tweede alinea, van het vonnis van 4 maart 2005 van de Municipal Court te Cakovec, deze rechtbank aandacht heeft besteed aan de vraag of de zaak is verjaard. Deze aanknopingspunten in combinatie met het feit dat de Kroatische autoriteiten om de uitlevering voor dit feit vragen en met inachtneming van het vertrouwensbeginsel maken dat de rechtbank er vanuit gaat dat het feit niet is verjaard."

12. Onder verwijzing naar HR 1 juli 1997, DD 97.330 stelt Keijzer(2) dat de uitleveringsrechter behoudens aperte door de raadsman aan te tonen onjuistheid mag afgaan op de mededelingen van de verzoekende staat dat de strafvervolging niet is verjaard. Die opvatting deel ik, met dien verstande dat ik een tweede voorbehoud zou willen toevoegen hierin bestaande dat de uitleveringsrechter ook niet (zonder meer) mag afgaan op mededelingen van de verzoekende staat als het ernstige vermoeden rijst dat deze op een misslag berusten.

13. Bij de behandeling van het uitleveringsverzoek door de Rechtbank is door verdachtes raadsman naar voren gebracht dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat de verjaring is gestuit en dat de verjaring bij de rechter van de verzoekende staat geen punt van discussie is geweest. Van dat laatste heeft de Rechtbank vervolgens overwogen dat dit in zoverre onjuist is dat de rechter van de verzoekende staat wel acht heeft geslagen op de absolute verjaringstermijn voor het feit ter zake waarvan uitlevering wordt verzocht. Voorts in aanmerking genomen dat de raadsman geen enkel concreet aanknopingspunt heeft gegeven voor onjuistheid van de mededelingen van de verzoekende staat met betrekking tot de verjaring is de verwerping van het beroep op verjaring toereikend gemotiveerd.

14. Het middel faalt.

15. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. o.a. HR 7 mei 1996, NJ 1996, 568, rov. 4.3 waarin de uitleg van het uitleveringsverzoek op begrijpelijkheid wordt getoetst.

2 Handboek strafzaken, [91.7]-7 (september 2007).

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?