Nr. 00782/07
Mr. Knigge
Zitting: 3 juni 2008
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage op 14 november 2006 vrijgesproken van het onder 2 primair en 3 primair tenlastegelegde en voor 1: "wederspannigheid, meermalen gepleegd", 2 subsidiair: "mishandeling" en 3 subsidiair: "medeplichtigheid aan diefstal" veroordeeld tot het verrichten van vijftig uren werkstraf, subsidiair vijfentwintig dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. B.J. Oort, advocaat te 's-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld. Het middel is door mr. Oort mondeling toegelicht op de zitting van de Hoge Raad van 20 mei 2008.
4. Het middel klaagt erover dat het Hof ten onrechte verstek heeft verleend. In de toelichting op het middel wordt daartoe aangevoerd dat verdachter door bodes in het Paleis van Justitie naar de verkeerde locatie is verwezen en pas na sluiting van de zaak de juiste zittingszaal had gevonden, maar dat de voorzitter weigerde de zaak te heropenen. Ook zou de raadsman de voorzitter hebben medegedeeld dat hij het vreemd vond dat verdachte niet ter terechtzitting was verschenen, omdat hij de dag ervoor nog contact heeft gehad met zijn cliënt.
5. Het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 31 oktober 2006 houdt het volgende in:
"De verdachte (...) is niet verschenen.
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. B.J. Oort, advocaat te 's-Gravenhage, die desgevraagd door de voorzitter mededeelt door de verdachte niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.
Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.
De raadsman verzoekt om aanhouding van de behandeling van de zaak, nu de verdachte heden niet ter terechtzitting aanwezig kan zijn.
Desgevraagd door de voorzitter deelt de advocaat-generaal mede zich te verzetten zich tegen aanhouding nu het niet duidelijk is of de verdachte op een volgende zitting wel zal verschijnen.
Na kort onderling beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek van de raadsman tot aanhouding van de behandeling van de zaak wordt afgewezen en de zaak heden ter terechtzitting zal worden behandeld, nu door de raadsman geen enkele reden is gegeven voor het niet verschijnen van de verdachte."
6. Ik stel voorop dat, als het inderdaad zo zou zijn dat de verdachte tengevolge van door de bodes verstrekte onjuiste informatie de zitting niet heeft kunnen bijwonen, achteraf gezien wellicht moet worden gezegd dat sprake is van een inbreuk op het aanwezigheidsrecht die grond tot cassatie oplevert.(1) De vraag is evenwel of er in cassatie van uitgegaan kan worden dat het is gegaan zoals in de schriftuur staat vermeld.
7. Het proces-verbaal van de terechtzitting is de kenbron voor hetgeen ter terechtzitting is voorgevallen.(2) Daaruit valt op te maken dat de raadsman, die niet gemachtigd was, een aanhoudingsverzoek heeft gedaan, omdat zijn cliënt heden niet ter terechtzitting aanwezig kan (cursief, AG) zijn. Daarin zou gelezen kunnen worden dat de raadsman aanvoerde dat de verdachte die dag verhinderd was om te verschijnen, hetgeen zich moeilijk laat rijmen met de in cassatie betrokken stelling dat de verdachte wel degelijk, zij het te laat, was verschenen.
8. Belangrijker is het volgende. De raadsman doet beroep op gebeurtenissen die buiten en deels na afloop van de zitting zouden zijn voorgevallen. Het proces-verbaal van de zitting kan uiteraard van die gebeurtenissen niet de kenbron zijn. Dat betekent uiteraard niet dat het aangevoerde geen feitelijke grondslag zou behoeven. De schriftuur zelf kan die grondslag niet verschaffen. Hetzelfde geldt voor de gegeven mondelinge toelichting. Daarmee is het lot van het middel bezegeld.
9. Anders was het wellicht geweest als de raadsman zijn stellingen had onderbouwd door middel van bijvoorbeeld een schrijven van de voorzitter van de desbetreffende strafkamer van het Hof waarin de gestelde gang van zaken werd bevestigd. Wellicht was het ook anders geweest als zich bij de stukken van het geding een tijdig aan het Hof gedaan, schriftelijk en gemotiveerd verzoek om heropening van het onderzoek ter zitting had bevonden.(3) Nu noch van het een, noch van het ander sprake is, faalt het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag.
10. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 9 december 2003, NJ 2004, 133, waarin de Hoge Raad kennelijk van belang achtte dat (de toelichting op) het middel niet inhield dat het misverstand tengevolge waarvan de verdachte en zijn raadsman bij de verkeerde zittingszaal hadden zitten wachten, "een niet voor rekening van de verdachte en diens raadsman komende omstandigheid betrof".
2 Van Dorst, Cassatie in strafzaken, vijfde druk, p. 86.
3 Zie o.m. HR 13 november 2001, NJ 2002, 203.