Nr. 01143/07
Mr. Knigge
Zitting: 26 augustus 2008
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, op 14 november 2006 vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde en voor 2: "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" en 3: "overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf weken.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel klaagt over de strafmotivering van het Hof. Het Hof heeft uitdrukkelijk rekening gehouden met het ad informandum feit, terwijl uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet blijkt dat verdachte dat feit bij het Hof heeft erkend.
5. De verdachte stond terecht voor een drietal strafbare feiten, gepleegd op 29 maart 2004. Het opgeven van een valse naam, gepleegd op dezelfde datum, is daarbij als zogenaamd ad informandum feit op de dagvaarding vermeld. Bij de politie heeft verdachte dit feit erkend. Bij de politierechter is door de gemachtigde raadsman gesteld dat verdachte zich (alleen) schuldig heeft gemaakt aan het onder 3 tenlastegelegde en het ad informandum gevoegde feit. De Politierechter hield bij de strafoplegging rekening met dit ad informandum gevoegde feit.
6. In hoger beroep gaf de verdachte, in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis van de Politierechter op te geven, op ten onrechte te zijn veroordeeld terzake van de feiten 1 en 2. Ten aanzien van die feiten legde hij dan ook ontkennende verklaringen af. Het derde feit bekende hij. Het proces-verbaal van de zitting vermeldt voorts alleen dat verdachte en raadsman het woord tot verdediging voeren. Een pleitnota is niet overgelegd.
7. Erkend kan worden dat in het proces-verbaal van de terechtzitting, meer in het bijzonder in de verklaring van verdachte, niet met zoveel woorden wordt gerept over het ad informandum gevoegde feit. Desondanks heeft het Hof met betrekking tot de strafoplegging onder meer het volgende overwogen:
"Het hof heeft tevens in aanmerking genomen de ter kennisneming gevoegde zaak ingeschreven onder parketnummer 16-356550-04, welk feit door verdachte tegenover de politie en ter terechtzitting van het hof is erkend."
8. Volgens HR 6 februari 2001, NJ 2001, 184 moet het bij een ad informandum gevoegd feit gaan om erkenning van de feiten voor de rechter die de straf oplegt. Als de verdachte in hoger beroep is verschenen, doet een erkenning van het ad informandum gevoegde feit in eerste aanleg dus in beginsel niet ter zake. De vraag is of het ontbreken van een expliciete erkenning in het proces-verbaal van de zitting in een geval als het onderhavige tot cassatie moet leiden.
9. In HR 17 december 2002, LJN AF0643 (nr. 00099/02, niet gepubliceerd) deed zich een vergelijkbaar geval voor. Mijn ambtgenoot mr. Vellinga zag geen reden tot cassatie omdat het Hof in zijn arrest had vastgesteld dat de verdachte het op de dagvaarding vermelde ad informandum gevoegde feit had bekend, ter terechtzitting was verschenen, bijgestaan door een raadsman, en uit het proces-verbaal van de zitting niet bleek dat ten aanzien van dit feit enig verweer was gevoerd. De Hoge Raad deed de zaak af op de voet van art. 81 RO.
10. De vraag is hoe dit moet worden begrepen. Het Hof had - als afgegaan wordt op de conclusie - overwogen dat de verdachte het feit had bekend, niet dat hij dat feit ter terechtzitting in hoger beroep had bekend. De beslissing van de Hoge Raad lijkt derhalve niet te zijn gebaseerd op de gedachte dat het Hof in zijn arrest zelfstandig de inhoud van ter terechtzitting afgelegde verklaringen vaststelt. Anders gezegd: HR 22 november 2005, NJ 2005, 219 (waarin met die gedachte werd gebroken) lijkt geen verandering te hebben gebracht in het standpunt dat de Hoge Raad in HR 17 december 2002 innam.
11. Ik zou het er derhalve voor willen houden dat dit standpunt berust op de gedachte dat, zolang er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel, in gevallen als de onderhavige, waarin de verdachte voorzien van rechtsbijstand ter zitting is verschenen, mag worden aangenomen dat de verdachte niet is teruggekomen op zijn eerdere (gerechtelijke of buitengerechtelijke) erkenning van het ad informandum gevoegde feit. Het stilzwijgen van de verdediging mag dan derhalve gelijkgesteld worden aan een uitdrukkelijke erkenning ter terechtzitting.
12. Het middel faalt.
13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG