Nr. 08/00220
Zitting: 17 februari 2009
Mr. Vellinga
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.
2. De Advocaat-generaal bij het Hof heeft één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd de verdachte van het tenlastegelegde heeft vrijgesproken bij gebrek aan voldoende wettig bewijs.
4. Aan de verdachte is tenlastegelegde dat:
"1.
hij te 's-Gravenhage op of omstreeks 06 juni 2005; op de weg, het Spui, die deel uitmaakt van een door burgemeester en wethouders van die gemeente aangewezen gebied, alcohol heeft genuttigd en/of aangebroken flessen en/of blikjes en/of dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich heeft gehad;"
en
"2.
hij te 's-Gravenhage op of omstreeks 06 juli 2005, op of aan de weg, op een voor publiek toegankelijke plaats het Spuiplein middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet heeft gebruikt, heeft toegediend, dan wel voorbereidingen daartoe heeft verricht of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen openlijk voorhanden heeft gehad, immers heeft hij een (grote) zak wiet bij zich gehad;"
5. Het Hof heeft de vrijspraak als volgt gemotiveerd:
"5. Vrijspraak
Het proces-verbaal van politie terzake van het onder 1 tenlastegelegde feit is niet ondertekend door de verbalisant die dit proces-verbaal heeft opgesteld, zijnde [verbalisant 1]. Op de kennisgeving bekeuring van de politie heeft de verbalisant - die deze kennisgeving van bekeuring heeft uitgeschreven - enkel diens verbalisantnummer ingevuld en niet diens naam.
Ook het proces-verbaal van politie terzake van het onder 2 tenlastegelegde feit is niet ondertekend door de verbalisant die dit proces-verbaal heeft opgesteld, zijnde [verbalisant 2]. Op de kennisgeving bekeuring van de politie heeft de verbalisant - die deze kennisgeving van bekeuring heeft uitgeschreven - enkel diens verbalisantnummer ingevuld en niet diens naam.
Naar het oordeel van het hof is er aldus niet voldoende wettig bewijs en is niet wettig bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken."
6. Bij de stukken van het geding bevindt zich een "Kennisgeving van bekeuring", op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend door "ambtenaar [002]". In die kennisgeving verklaart de desbetreffende ambtenaar dat hij op 6 juni 2005 - de in de tenlastelegging onder 1 genoemde datum - constateerde dat verdachte op het Spui te Den Haag bier aan het drinken was in een door burgemeester en wethouders aangewezen gebied. De kennisgeving van bekeuring is gehecht aan een proces-verbaal van de politie Haaglanden, PVB-nr 06.06.2005.1420.[002]. Dat proces-verbaal houdt onder meer in dat [verbalisant 1], hoofdagent bij Bureau Westland, op 6 juni 2005 constateerde dat de verdachte alcohol nuttigde binnen een door burgemeester en wethouders aangewezen gebied en verdachte daarop heeft staandegehouden. Het proces-verbaal houdt voorts in dat het is opgemaakt door de aan het einde van het proces-verbaal als 2e genoemde opsporingsambtenaar ([verbalisant 3]; WHV) conform het aangehechte brondocument (de kennisgeving van bekeuring), en dat dat brondocument is opgemaakt door de aan het einde van het proces-verbaal als eerste vermelde opsporingsambtenaar ([verbalisant 1]; WHV). Aan het slot van het proces-verbaal staat vermeld dat het is opgemaakt op 1 november 2005 op ambtsbelofte respectievelijk op ambtseed door [verbalisant 1], hoofdagent, en [verbalisant 3], inspecteur, ieder voor wat betreft zijn bevindingen; het is alleen ondertekend door [verbalisant 3].
7. Voorts bevindt zich bij de stukken een "Kennisgeving van bekeuring", op ambtseed opgemaakt en ondertekend door "ambtenaar [001]". In die kennisgeving verklaart de desbetreffende ambtenaar dat hij op 6 juli 2005 - de in de tenlastelegging onder 2 genoemde datum - constateerde dat verdachte op het Spuiplein te Den Haag, een grote zak wiet bij zich had en (aldus) drugs voorhanden had op of aan de openbare weg. De kennisgeving van bekeuring is gehecht aan een proces-verbaal van de politie Haaglanden, PVB-nr 06.07.2005.1614.[001]. Dat proces-verbaal houdt onder meer in dat [verbalisant 2], hoofdagent bij Bureau Jan Hendrikstraat, op 6 juli 2005 constateerde dat de verdachte een grote zak wiet bij zich had en verdachte daarop heeft staandegehouden, dat op het bureau bleek dat het om 28 gram ging en dat verdachte een bekeuring heeft gekregen voor het voorhanden hebben van drugs in een door burgemeester en wethouders aangewezen gebied waar dat niet mag. Het proces-verbaal houdt voorts in dat het is opgemaakt door de aan het einde van het proces-verbaal als 2e genoemde opsporingsambtenaar ([verbalisant 3]; WHV) conform het aangehechte brondocument (de kennisgeving van bekeuring), en dat dat brondocument is opgemaakt door de aan het einde van het proces-verbaal als eerste vermelde opsporingsambtenaar ([verbalisant 2]; WHV). Aan het slot van het proces-verbaal staat vermeld dat het is opgemaakt op 12 oktober 2005 op ambtseed door [verbalisant 2], hoofdagent, en [verbalisant 3], inspecteur, ieder voor wat betreft zijn bevindingen; het is alleen ondertekend door [verbalisant 3].
8. Volgens de toelichting op het middel heeft het Hof zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd omdat uit de samenhang van kennisgeving van bekeuring en daarop gebaseerd proces-verbaal volgt dat de kennisgevingen van bekeuring zijn opgemaakt door de persoon die in de processen-verbaal worden opgevoerd als eerste verbalisant. Die opvatting deel ik niet.
9. Anders dan het geval was in HR 25 juni 2004, NJ 2004, 451, doet zich hier niet het geval voor dat bedoelde processen-verbaal in de wettige vorm zijn opgemaakt door degenen wier relaas overeenkomstig de kennisgevingen van bekeuring in die processen-verbaal worden herhaald. Of bedoelde processen-verbaal aldus moeten worden begrepen dat de tweede verbalisant, die bedoelde processen-verbaal steeds wel heeft ondertekend, daarin relateert dat de verbalisant met het nummer [002] respectievelijk [001] de verbalisant is die in bedoelde processen-verbaal steeds als eerste verbalisant is genoemd is een vraag van feitelijke aard die zich deswege in cassatie niet laat beantwoorden.
10. Vervolgens wordt geklaagd dat de motivering van het Hof onbegrijpelijk dan wel ontoereikend is gelet op de onderlinge samenhang van bedoelde kennisgevingen van bekeuring en processen-verbaal.
11. Gelet op die samenhang, in het bijzonder bestaande in de vermelding dat het proces-verbaal is opgemaakt door de aan het einde van het proces-verbaal als 2e genoemde opsporingsambtenaar, conform het aangehechte brondocument (de kennisgeving van bekeuring), en dat dat brondocument is opgemaakt door de aan het einde van het proces-verbaal als eerste vermelde opsporingsambtenaar, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk waarom uit genoemde processen-verbaal niet valt af te leiden dat de in bedoelde processen-verbaal genoemde eerste verbalisant niet de persoon is die in de bijbehorende kennisgeving van bekeuring met een nummer is aangeduid. Zou dat wel het geval zijn dan valt vervolgens niet in te zien waarom bedoelde kennisgevingen van bekeuring niet als een overeenkomstig de eisen van art. 153 Sv opgemaakt proces-verbaal zouden kunnen worden aangeduid en derhalve niet waarom niet voldoende wettig bewijs aanwezig is. (1)
12. Het middel slaagt.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 17 januari 1989, NJ 1989, 558 en HR 14 maart 1989, NJ 1989, 880. Vgl. ook HR 16 januari 2007, NJ 2007, 67 en HR 29 april 1997, NJ 1997, 666