Nr. 07/10551
Mr. Vellinga
Zitting: 3 maart 2009
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens "medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot zes maanden hechtenis met verbeurdverklaring en een last tot teruggave als in het arrest omschreven.
2. Namens verdachte heeft mr. A.W. Syrier, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt dat 's Hofs verwerping van het verweer strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging, onvoldoende, althans onbegrijpelijk is gemotiveerd.
4. Verdachte is veroordeeld voor de - niet opzettelijke - invoer van cocaïne in Nederland. De cocaïne is op Schiphol aangetroffen in op een door verdachte en zijn echtgenote op het vliegveld van Paramaribo ingecheckte koffer, die verdachte - naar hij heeft verklaard - had geleend van een derde. Verdachte heeft ontkend dat hij op de hoogte was van de aanwezigheid van cocaïne in zijn bagage en de raadsman heeft aangevoerd dat het mogelijk is dat het pakket met de verdovende middelen pas na het inchecken aan de desbetreffende koffer is bevestigd.
5. 's Hofs verwerping van het in het middel bedoelde verweer houdt kort gezegd in dat geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of anderszins aannemelijk geworden die een begin van aannemelijkheid vormen voor de stelling dat de aangetroffen cocaïne na het inchecken van de koffer door een ander dan verdachte of diens vrouw aan de koffer is bevestigd, en dat verdachte en zijn vrouw de door hen geleende koffer onvoldoende zorgvuldig hebben onderzocht alvorens deze als bagage mee te nemen tijdens hun reis van Suriname naar Nederland, hetgeen hen te meer kan worden verweten nu zij ervan op de hoogte waren dat vanuit Suriname veelvuldig verdovende middelen verborgen in bagage naar Nederland worden gesmokkeld. Aldus heeft het Hof het in het middel bedoelde verweer, in aanmerking genomen dat de cocaïne is aangetroffen in de koffer tussen de trekstangen (bewijsmiddel 1), toereikend gemotiveerd en op niet onbegrijpelijke gronden verworpen.
6. Hetgeen in de toelichting op het middel wordt aangevoerd kan, gelet op het bepaalde in art. 81 RO, buiten bespreking blijven nu dat niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
7. Het middel faalt.
8. Het tweede middel klaagt dat het Hof het verzoek om [betrokkene 3] en [betrokkene 2] te horen als getuigen ten onrechte heeft afgewezen, dan wel dat het die afwijzing onbegrijpelijk en niet naar behoren heeft gemotiveerd.
9. In aanmerking genomen dat de cocaïne blijkens de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen niet - zoals aan het verzoek tot het horen van de getuigen ten grondslag lag - aan de buitenkant van de koffer maar in de koffer tussen de trekstangen is aangetroffen, getuigt het oordeel van het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.
10. Tegen deze achtergrond kan hetgeen in de toelichting op het middel wordt aangevoerd, gelet op het bepaalde in art. 81 RO, buiten bespreking blijven nu dat niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
11. Het middel faalt.
12. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG