Nr. 07/11642
Mr. Vellinga
Zitting: 31 maart 2009
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. De Kantonrechter in de Rechtbank te Utrecht heeft de verdachte bij vonnis van 25 februari 2003 ter zake van op 8 april 2001 "zonder daartoe gerechtigd te zijn, zich op eens anders grond waarvan de toegang op een voor haar blijkbare wijze door de rechthebbende is verboden bevinden" bij verstek veroordeeld tot een geldboete van veertig euro. Na gedaan verzet heeft de Kantonrechter de verdachte bij vonnis van 9 november 2005 wederom ter zake van "zonder daartoe gerechtigd te zijn, zich op eens anders grond waarvan de toegang op een voor haar blijkbare wijze door de rechthebbende is verboden bevinden" bij verstek veroordeeld tot een geldboete van veertig euro, subsidiair een dag hechtenis. Nu laatstgenoemd vonnis bij verstek is gewezen, zal deze uitspraak zo verstaan moeten worden dat daarbij het verzet op de voet van art. 402, eerste lid, (oud) Sv vervallen is verklaard.(1)
2. Namens de verdachte heeft mr. E.Th. Hummels, advocaat te Zeist, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Aan de bespreking van het middel meen ik niet te kunnen toekomen, vanwege het volgende. Het bewezenverklaarde feit is begaan op 8 april 2001 en is een overtreding. Op grond van art. 70 Sr (oud), zoals dat luidde van 1 januari 2006 tot 7 juli 2006, verjaarden overtredingen uiterlijk na vier jaar.(2) Tussen 8 april 2001 en 7 juli 2006 is meer dan vier jaar verstreken, zodat het recht tot strafvervolging als gevolg van verjaring is vervallen.(3)
4. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de vonnissen van 25 februari 2003 en 9 november 2005 en tot niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in de vervolging.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 16 oktober 2007, NJ 2007, 569
2 Vgl. HR 7 november 2006, LJN AY8987.
3 Vgl. HR 5 december 2000, NJ 2001, 110, HR 13 januari 1998, 106.690 (niet gepubliceerd), HR 7 april 1998, 108.224 (niet gepubliceerd). De onderhavige zaak verschilt van die welke leidde tot HR 9 mei 2006, NJ 2006, 296, omdat thans de Hoge Raad wel de instantie is die op het ingestelde rechtsmiddel heeft te beslissen.