Nr. 07/13317
Mr. Vellinga
Zitting: 30 juni 2009
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "diefstal" veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf.
2. Namens verdachte heeft mr. J. Goudswaard, advocaat te 's-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat het Hof bij de strafoplegging een niet-onherroepelijke veroordeling in aanmerking heeft genomen.
4. De strafmotivering in het bestreden arrest houdt onder meer in:
"Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 3 oktober 2007 is de verdachte bij (niet onherroepelijk) vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 23 mei 2006 tot een werkstraf veroordeeld wegens het plegen van een winkeldiefstal en een ander vermogensdelict. De verdachte was, gelet op zijn wetenschap van dat vonnis, derhalve gewaarschuwd dat vermogensdelicten tot strafrechtelijke sancties leiden, maar die waarschuwing heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.
Naar het oordeel van het hof komen de ernst van het bewezenverklaarde en de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende tot uitdrukking in de door de advocaat-generaal gevorderde straf.
Het is op deze gronden dat het hof geen andere dan de hierna te melden zwaardere - vrijheidsbenemende - straf zal opleggen."
5. Anders dan het middel wil heeft het Hof bij de strafoplegging niet in aanmerking genomen dat de verdachte eerder was veroordeeld(1), maar dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit had te gelden als een gewaarschuwd man omdat hij blijkens de veroordeling van de Politierechter al eens aan den lijve had ondervonden dat op stelen straf staat. Nu dat laatste ook het geval is als de verdachte ten onrechte door de Politierechter zou zijn veroordeeld, heeft het Hof als omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde feit is begaan in aanmerking kunnen nemen dat de verdachte een gewaarschuwd man was.
6. Het middel faalt.
7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zoals het geval was in HR 28 maart 2006, NJ 2006, 235 en HR 15 april 2008, LJN BC9446.