Nr. 08/02925 B
Mr. Vellinga
Zitting: 15 december 2009
Conclusie inzake:
[Klaagster]
1. De Rechtbank te Haarlem heeft bij beschikking van 31 januari 2008 klaagster niet ontvankelijk verklaard in het namens haar ingediende klaagschrift, strekkende tot teruggave aan klaagster van een geldbedrag van € 31.400,-.
2. Tegen deze beschikking is namens klaagster op 13 februari 2008 beroep in cassatie ingesteld.
3. Namens klaagster heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring van klaagster in haar beklag.
5. De Rechtbank heeft klaagster niet ontvankelijk verklaard in haar beklag omdat zij het klaagschrift niet heeft ingediend binnen drie maanden nadat de vervolgde zaak tot een einde is gekomen (art. 552a lid 3 Sv).
6. In de besteden beschikking wordt vastgesteld dat onder [betrokkene 1] in beslag is genomen een geldbedrag en dat de strafzaak tegen [betrokkene 1] door de officier van justitie is geseponeerd.
7. Van een vervolgde zaak in de zin van art. 552a, derde lid, Sv is geen sprake wanneer een zaak, zonder dat een rechter in de zaak betrokken is, met een sepot is geëindigd. In een dergelijk geval is sprake van een situatie waarin geen vervolging is ingesteld zoals bedoeld in art. 552a, vierde lid, Sv zodat een klaagschrift uiterlijk binnen twee jaren na de inbeslagneming of kennisneming daarvan moet zijn ingediend. (1)
8. Het kennelijke oordeel van de Rechtbank dat, gelet op de sepotbeslissing, sprake is van een vervolgde zaak als bedoeld in art. 552a lid 3 Sv getuigt derhalve van een onjuiste rechtsopvatting.
9. Het middel slaagt.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en verwijzing naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 15 april 2008, LJN BC9406, later bevestigd in HR 7 juli 2009, LJN BI0537.