Nr. 07/10116
Mr Jörg
Zitting 19 januari 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte = verzoeker]
1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage zitting houdende te Arnhem heeft bij arrest van 25 juni 2007 verzoeker wegens kort gezegd het ontvangen, zich verschaffen, in voorraad hebben, vervoeren en invoeren van valse bankbiljetten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.
2. Namens verzoeker heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt over schending van de inzendtermijn.
4. Het cassatieberoep is ingesteld op 6 juli 2007. De stukken zijn op 5 augustus 2008 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Daarmee is de destijds geldende inzendtermijn van acht maanden met bijna zes maanden overschreden.
5. Het middel slaagt, hetgeen zal dienen te leiden tot een vermindering van de opgelegde straf.
6. Het tweede middel klaagt erover dat het hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan art. 27, eerste lid, Sr voor wat betreft de ingevolge een Nederlands uitleveringsverzoek in het buitenland ondergane detentie.
7. Artikel 27 lid 1 Sr bepaalt het volgende:
"1. Bij het opleggen van tijdelijke gevangenisstraf, hechtenis of taakstraf beveelt de rechter, dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering, in voorlopige hechtenis, in een psychiatrisch ziekenhuis of een inrichting voor klinische observatie bestemd ingevolge een bevel tot observatie of in detentie in het buitenland ingevolge een Nederlands verzoek om uitlevering of om overlevering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht. (...)."
8. De stukken van het geding houden in dat verzoeker op 19 juli 2005 in Duitsland is aangehouden en van zijn vrijheid is beroofd ingevolge een Nederlands verzoek tot zijn uitlevering.
9. Het hof heeft in het dictum van het arrest het volgende vermeld:
"Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.
Bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht."
10. Het middel wijst er aldus terecht op dat het hof de uitleveringsdetentie niet, althans niet met zoveel woorden op de opgelegde straf in mindering heeft gebracht.(1) De Hoge Raad zal het verzuim zelf kunnen herstellen door het arrest van het hof in zoverre te vernietigen en opnieuw recht te doen.(2)
11. De voorgestelde middelen slagen.
12. Ambtshalve vraag ik nog aandacht voor de omstandigheid dat inmiddels een termijn van twee jaar in de cassatiefase inmiddels is verstreken, nu namens verdachte op 6 juli 2007 cassatie is ingesteld. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM ook in deze zin zal worden overschreden, hetgeen tot strafvermindering dient te leiden.
13. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van de bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van de strafoplegging in dier voege dat de straf zal worden verlaagd en dat de Hoge Raad zal bepalen dat de door verdachte ingevolge een Nederlands uitleveringsverzoek in het buitenland in detentie doorgebrachte tijd op de opgelegde straf in mindering wordt gebracht.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Vgl. HR 7 mei 1985, NJ 1985, 845.
2 Vgl. HR 17 april 2007, LJN AZ6131.