Nr. 07/10489
Mr. Machielse
Zitting 20 april 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft de verdachte bij arrest van 9 juli 2007 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 28 juni 2006, waarbij de verdachte wegens 'overtreding van art. 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994' is veroordeeld tot hechtenis voor de duur van twee weken. Voorts heeft de Kantonrechter de tenuitvoerlegging gelast van een week hechtenis, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te Utrecht van 9 juni 2004.
2. Mr. J.M. van Dam, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld. Namens de verdachte heeft mr. D.I.A. Schröder, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep, althans die beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd.
3.2. De bestreden uitspraak houdt onder meer het volgende in:
"2. Ontvankelijkheid van het hoger beroep
In het dossier bevindt zich een brief van raadsman mr. J.G.M. Dassen d.d. 15 juni 2006, waaruit blijkt dat de verdachte zich tot hem had gewend met het verzoek hem bij te staan ter terechtzitting in eerste aanleg van 28 juni 2006. Hieruit vloeit voort dat de verdachte tevoren bekend was met de dag van de terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte had derhalve volgens de wet hoger beroep dienen in te stellen binnen veertien dagen na de op 28 juni 2006 in eerste aanleg gegeven einduitspraak.
Nu het hoger beroep eerst na het verstrijken van die termijn is ingesteld op 3 oktober 2006, dient de verdachte daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Beslissing
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep."
3.3. De zich bij de stukken bevindende brief van de raadsman van 15 juni 2006, gericht aan de strafgriffie van de Rechtbank te 's-Gravenhage, vermeldt het parketnummer van de strafzaak tegen de verdachte en voorts:
"Hierbij stel ik mij als raadsman in bovengenoemde strafzaak (kanton) die gepland staat op 28 juni 2006 om 10:00 uur.
Een verzoek om een afschrift van het dossier heb ik inmiddels aan het parket gericht."
3.4. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is het oordeel van het Hof niet begrijpelijk. De enkele omstandigheid dat de raadsman er blijk van heeft gegeven op de hoogte te zijn van dag en uur van de terechtzitting in eerste aanleg brengt immers nog niet mee - zoals het Hof heeft overwogen - "dat de verdachte zich tot hem had gewend met het verzoek hem bij te staan ter terechtzitting in eerste aanleg van 28 juni 2006" en zich dus een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was als bedoeld in art. 408, eerste lid aanhef en onder c, Sv.(1)
Het middel slaagt.
4. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof 's-Gravenhage teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Vgl. HR 6 januari 2004, LJN AN8554; HR 6 januari 2009, LJN BG4260.