Nr. 08/04182
Mr. Vellinga
Zitting: 29 juni 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem veroordeeld bij arrest van 18 september 2008.
2. Namens verdachte heeft mr. P.L.E.M. Krauth, advocaat te Zwolle, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel komt op tegen het oordeel, dat, nu artikel 3.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 inhoudt dat het indienen van een bezwaarschrift tegen ongewenstverklaring de werking van de beschikking niet opschort en de beschikking dus onmiddellijke werking heeft, de stelling van de raadsman dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde omdat er op 7 januari 2008 nog niet onherroepelijk was beslist op het bezwaarschrift tegen de beschikking tot ongewenstverklaring, geen steun vindt in het recht.
4. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.(1) Genoemde bepaling stemt overeen met de hoofdregel vervat in art. 6:16 Awb terwijl bij de Vreemdelingenwet niet anders is bepaald.
5. Het middel faalt. Dat geldt temeer nu - zoals verdachtes raadsman heeft verklaard - het beroep tegen bedoelde beschikking is verworpen.
6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 18 november 1986, NJ 1987, 491