Nr. 09/01532
Mr. Machielse
Zitting 28 september 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. De verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij arrest van 24 maart 2009 bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Breda van 13 juni 2008 waarbij hij wegens 1. "Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" en 2. "Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking" veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
2. Mr. B.C.A. Reijnders, advocaat te Venlo, heeft cassatie ingesteld. Namens de verdachte heeft mr. B.M. Beg, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3.1. Het middel bedoelt kennelijk te klagen dat het Hof, nu blijkt dat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd was, ten onrechte heeft aangenomen dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om bij die behandeling aanwezig te zijn.
3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer het volgende in:
"De verdachte genaamd:
[Verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
Zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
is - hoewel behoorlijk gedagvaard - niet verschenen.
De raadsman van verdachte, mr. B.M. Beg, advocaat te Amsterdam, is - hoewel behoorlijk van de zitting in kennis gesteld - evenmin verschenen.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek teneinde de griffier in de gelegenheid te stellen contact op te nemen met het kantoor van de raadsman om te informeren waarom de raadsman niet ter terechtzitting is verschenen.
Na hervatting van het onderzoek geeft de voorzitter het woord aan de griffier. Deze deelt het volgende mede.
Ik heb tijdens de onderbreking telefonisch contact gehad met de secretaresse van de raadsman. Zij deelde mede dat de raadsman niet zal verschijnen, maar wilde dit verder niet toelichten. Ik heb vervolgens mr. Beg tweemaal gebeld op zijn mobiele telefoon, maar kreeg telkens slechts zijn voicemail.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het gerechtshof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan."
3.3. Aan de cassatieschriftuur is gehecht een kopie van een bevel ex art. 21, vijfde lid, van de Overleveringswet, gegeven door de Hulpofficier van Justitie, tot inverzekeringstelling van de met verdachte's personalia aangeduide persoon voor de duur van drie dagen, te rekenen vanaf het tijdstip van voorlopige aanhouding. Het bevel is gegeven op 9 maart 2009 en houdt onder meer in dat de verdachte op diezelfde dag is aangehouden.
3.4. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de dagvaarding van de verdachte op te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep van 10 maart 2009 op wettige wijze is betekend, wordt in cassatie niet bestreden.
Uit de inhoud van het hiervoor onder 3.3 genoemde stuk - aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet kan worden getwijfeld - moet echter worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep uit anderen hoofde was gedetineerd. Dat betekent dat het Hof het onderzoek ter terechtzitting had moeten schorsen teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn.(1) Achteraf bezien is de beslissing van het Hof om verstek te verlenen en het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten dus onjuist.
In aanmerking genomen het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, brengt het vorenoverwogene mee dat de verdachte de mogelijkheid dient te hebben om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen. Dit brengt mee dat het bestreden arrest moet worden vernietigd en dat de zaak moet worden teruggewezen opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt behandeld.(2)
Het middel slaagt.
4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317 m.nt Schalken, r.o. 3.33 e.v.
2 HR 19 december 2006, LJN AZ1660. Dat het Hof de verdachte ex art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep, is m.i. niet relevant. De verdachte heeft in dit geval geen gelegenheid gehad mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven. Dat zou na terugwijzing alsnog kunnen gebeuren.