Zaaknr. 10/01181
Mr. Huydecoper
Parket, 5 november 2010
Conclusie inzake
1. [Verzoeker 1]
2. [Verzoekster 2]
3. BVBA Autocenter
verzoekers tot cassatie
tegen
Mr. P. Buijs q.q.
verweerder in cassatie
1. In deze zaak maken de verzoekers tot cassatie bezwaar tegen het niet honoreren van hun op de voet van de art. 69 en 67 Fw geldend gemaakte aanspraken op redres terzake van bepaalde handelingen die zij van de verweerder in cassatie, Mr. Buijs q.q., hebben verlangd.
Ik denk dat de in cassatie voorgestelde klachten ongegrond zijn en dat die klachten geen vragen betreffen die met het oog op de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling om beantwoording vragen.
Ook overigens lijken mij de klachten van dien aard dat met een verkorte conclusie kan worden volstaan.
2. De verzoekers tot cassatie hebben van de rechter-commissaris in het faillissement van de eerste verzoeker, [verzoeker 1], een bevel gevraagd aan de curator, Mr. Buijs, om bepaalde documenten en gegevens aan de verzoekers te verstrekken. De rechter-commissaris heeft de verzoekers in hun verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Op hun beroep bij de rechtbank volgde bekrachtiging wat betreft de tweede en derde verzoekers, en afwijzing - alsnog - van het verzochte ten aanzien van [verzoeker 1].
Tegen deze beslissing is het - overigens tijdig en regelmatig ingestelde(1) - cassatieberoep gericht. Namens de curator wordt geen inhoudelijk verweer gevoerd.
3. Er worden tegen de beslissing van de rechtbank drie klachten ingebracht.
De eerste klacht strekt ertoe dat de rechtbank deze zaak niet door een enkelvoudige kamer had mogen laten beslissen. Een klacht van dezelfde inhoud is bij HR 19 februari 2010, rechtspraak.nl LJN BK8102 met toepassing van art. 81 RO verworpen (zoals ook gebeurde in de beslissingen die in voetnoot 13 van de conclusie van A -G Rank-Berenschot vóór deze beschikking van de Hoge Raad worden aangehaald).
Het ligt in de rede dat in deze zaak in dezelfde zin wordt beslist.
4. Een tweede klacht betreft het volgende: Mr. Buijs q.q. zou in het kader van ontruiming van door de gefailleerde gebruikte bedrijfsruimte en/of in het kader van onderhandse verkoop van aldaar aanwezige zaken, gehandeld hebben in strijd met door de tweede en derde verzoekers gepretendeerde rechten terzake van daar (aanvankelijk) aanwezige zaken. Deze verzoekers zouden uit dien hoofde, met het oog op art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, als schuldeisers in het faillissement moeten worden aangemerkt. Gesuggereerd wordt dat bij gebreke daarvan, aan de betrokkenen adequate rechtsbescherming zou worden onthouden.
5. Deze verzoekers zijn in de beslissing van de rechtbank - in rov. 3.2 - als niet-ontvankelijk in hun verzoek aangemerkt omdat zij niet behoren tot de in art. 69 Fw omschreven groep (bestaande uit de schuldeisers, de commissie van schuldeisers en de gefailleerde).
Dit oordeel stemt overeen met bestendige rechtsleer(2). Ik zie geen reden om afwijking van die rechtsleer of clausuleringen daarop aan te bevelen (en het middel noemt zulke redenen ook niet).
6. Voorzover deze klachten, met verwijzing naar art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, suggereren dat zo aan deze verzoekers adequate rechtsbescherming wordt onthouden, miskennen die klachten - mede - dat het feit dat deze verzoekers niet van de zeer vereenvoudigde rechtsgang van art. 69 en art. 67 Fw kunnen profiteren, allerminst betekent dat zij niet voor hun vermeende rechten kunnen opkomen. Zij kunnen dat immers doen met aanwending van de "gewone" civielrechtelijke middelen. Daarvan kan niet in ernst gezegd worden, dat die geen adequate rechtsbescherming bieden.
7. De derde en laatste klacht ziet op het door [verzoeker 1] zelf gedane verzoek. Daaromtrent heeft de rechtbank in rov. 3.3 van de in cassatie bestreden beschikking (mede) overwogen dat dat verzoek (gericht op een bevel aan de curator om bepaalde stukken of gegevens te verschaffen) erop gericht was aanspraken jegens de boedel geldend te maken; en dat de rechtsgang van art. 69 Fw er niet toe strekt, betrokkenen de gelegenheid te geven aan hen persoonlijk toekomende rechten tegenover de boedel geldend te maken. Het is kennelijk tegen dit deel van deze overweging, dat de derde klacht zich richt.
8. De zo-even bedoelde overweging van de rechtbank strookt met rechtsleer die sedert HR 31 december 1925, NJ 1926 p. 316 e.v. m.nt. EMM gevestigd is(3). Klachten gericht op deze rechtsleer zijn bij de al genoemde beslissing van HR 19 februari 2010, rechtspraak.nl LJN BK8102 met toepassing van art. 81 RO verworpen. Het middel bestrijdt, als ik het goed zie, deze rechtsleer inhoudelijk ook niet.
9. Ik begrijp deze klacht zo, dat betoogd wordt dat het [verzoeker 1] er niet om ging, hem persoonlijk toekomende aanspraken jegens de boedel geldend te maken, maar - uiteindelijk - om de juistheid van de handelwijze van de curator met het oog op boedelbeheer aan de orde te stellen.
Het middel geeft echter niet aan op welke stellingen in de aan de rechtbank voorgehouden stukken hier een beroep wordt gedaan; en ik voeg meteen toe dat ik stellingen die deze bedoeling duidelijk maken, ook niet heb kunnen vinden in het appelrekest (dat ik, met enige schroom, als lastig leesbaar wil kwalificeren). De in dit rekest gegeven toelichting, met name op Grief 2, kon de rechtbank volgens mij wel degelijk zo begrijpen dat het [verzoeker 1] te doen was om - wat in de bedoelde toelichting als "achterliggend doel" wordt gekwalificeerd - aanspraken in verband met hem toekomende, of hem "aanbelangende", rechten geldend te maken.
10. De uitleg van de in appel betrokken standpunten was aan de rechtbank voorbehouden. Tegen die uitleg worden ook geen specifieke cassatieklachten ingebracht.
Conclusie
Ik concludeer tot verwerping met toepassing van art. 81 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
1 De beschikking van de rechtbank is van 4 maart 2010. Het cassatierekest is op 15 maart per fax ingekomen. Het weekend viel op 13 en 14 maart. De termijn bedraagt hier ingevolge art 67 Fw jo. art. 426 lid 2 Rv. tien dagen.
2 Faillissementswet (losbl.), Verstijlen, art. 69, aant. 3 en 9; Wessels, Insolventierecht Deel IV, Bestuur en beheer na faillietverklaring, 2008, nrs. 4225 e.v., i.h.b. nrs. 4228 en 4230; Van Buchem-Spapens - Pouw, Faillissement, surseance van betaling en schuldsanering, 2008, p. 78.
3 Meer gegevens daarover bij Faillissementswet (losbl.), Verstijlen, art. 69, aant. 5 en 7; Wessels, Insolventierecht Deel IV, Bestuur en beheer na faillietverklaring, 2008, nrs. 4225 e.v., i.h.b. nrs. 4229 - 4229b; Van Buchem-Spapens - Pouw, Faillissement, surseance van betaling en schuldsanering, 2008, p. 78 - 79.