ECLI:NL:PHR:2011:BO9814

ECLI:NL:PHR:2011:BO9814, Parket bij de Hoge Raad, 08-02-2011, 08/03250

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 08-02-2011
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 08/03250
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2011:BO9814
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Bewijsklacht opzet. Voor “deelneming” in de zin van art. 140 Sr is voldoende dat betrokkene in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (HR NJ 1998/225). Uit de bewijsvoering kan evenbedoelde wetenschap niet worden afgeleid. De uitspraak is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Uitspraak

Nr. 08/03250

Mr. Vellinga

Zitting: 14 december 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld bij arrest van 18 juli 2008.

2. Namens verdachte heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat te 's-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 08/03250 en 09/01913. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.

4. Het middel houdt in dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte het bewezenverklaarde oogmerk had.

5. De tenlastelegging is door het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk aldus verstaan dat waar daarin van oogmerk wordt gesproken bedoeld is oogmerk in de in art. 140 Sr bedoelde zin.

6. Over dat oogmerk overwoog het Hof:

"In zijn arrest d.d. 8 oktober 2002 (NJ 2003, 65) heeft de Hoge Raad beslist dat het enerzijds voor deelneming aan een criminele organisatie voldoende is dat een verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, maar dat anderzijds niet vereist is dat de verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op de door de criminele organisatie beoogde concrete misdrijven. Wetenschap van één of verscheidene concrete misdrijven is niet vereist."

Het oordeel van het Hof dat voor het bewijs van het tenlastegelegde en bewezenverklaarde oogmerk is vereist dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.(1)

7. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan wel worden afgeleid dat de verdachte voor deelnemers aan een criminele organisatie hand- en spandiensten verrichtte, maar noch uit de bewijsoverwegingen van het Hof noch uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte daarbij handelde in de wetenschap dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven. De gebezigde bewijsmiddelen lijken tot op zekere hoogte op het tegendeel te wijzen. Bewijsmiddel 97 houdt immers in dat de verdachte heeft verklaard:

"Ik werd wel voorzichtig door de veroordeling van [betrokkene 1]. Ik wilde niet weer bij allerlei zaken betrokken worden."

8. Het middel slaagt.

9. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Verdachte heeft op 23 juli 2008 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan twee jaren zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit punt kan echter onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en de zaak dient te worden teruggewezen of verwezen.(2)

10. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 18 november 1997, NJ 1998, 225, HR 8 oktober 2002, LJN AE5651, NJ 2003, 64 en HR 5 september 2006, LJN AV4144 en LJN AV4122, NJ 2007, 336 m. nt. T.M. Schalken, resp. rov. 6.3 en 7.3.

2 HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358, rov. 3.5.3.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl RvdW 2011/268 NJB 2011, 474
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?