Nr. 09/01243
Mr. Vellinga
Zitting: 14 december 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door de enkelvoudige kamer van het Gerechtshof te Arnhem veroordeeld bij arrest van 3 februari 2009.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 09/01243 en 09/00902. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens verdachte heeft mr. J.B.A. Kalk, advocaat te Enschede, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te onderzoeken of aan de verdachte, die ter terechtzitting in hoger beroep niet is verschenen, overeenkomstig het bepaalde in art. 450 lid 4 Sv een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep is gezonden.
5. Het middel berust op de opvatting dat voor een geldige uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep overeenkomstig het bepaalde in art. 450 Sv vereist is dat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep naar de verdachte is gezonden. Deze opvatting vindt geen steun in de wet. Uitreiking aan de gemachtigde advocaat geldt als uitreiking in persoon en is daarmee voltooid.(1) Voorts wijs ik op een met de tweede volzin van art. 450 lid 4 Sv overeenkomend voorschift in art. 588 lid 3, aanhef en onder c, Sv. Daar is het verzenden van een afschrift van de dagvaarding aan de verdachte voor een rechtsgeldige uitreiking niet vereist: HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002, 317, m. nt. Sch, rov. 3.15, derde volzin.
6. Het middel faalt.
7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 7 april 2009, LJN BH1339 (niet gepubliceerd) t.a.v. art. 450, tweede lid, (oud) Sv.