11/00420
Mr. L. Timmerman
Parket: 11 maart 2011
Conclusie inzake:
[Verzoekster]
verzoekster tot cassatie
1 Bij vonnis van 6 december 2010 heeft de rechtbank Utrecht het verzoek van [verzoekster] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsanering afgewezen omdat [verzoekster] voor het ontstaan van de schuld aan de belastingdienst niet te goeder trouw is geweest. Zij heeft in de jaren 2007, 2009 en 2010 ten onrechte kinderopvangtoeslag ontvangen terwijl ze in 2009 wist dat zij deze diende te beëindigen.
2 [Verzoekster] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Amsterdam.
Het hof heeft de zaak ter zitting van 10 januari 2011 behandeld. Bij arrest van 17 januari 2011 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
3 Tegen dit arrest heeft [verzoekster] tijdig(1) beroep in cassatie ingesteld.
4 Het verzoekschrift bevat één cassatiemiddel. Het middel is gericht tegen rov. 3.5 en 3.6 waarin het hof heeft overwogen:
"3.5 Voorts is onvoldoende aannemelijk geworden dat [verzoekster] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden, onder controle heeft gekregen, zodat zij thans nog niet op deze grond kan worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Hoewel [verzoekster] heeft aangetoond dat zij op de goede weg is - er is inmiddels sprake van een sociaal vangnet, waardoor [verzoekster] haar leven meer op orde heeft en enigszins tot rust is gekomen - kampt zij volgens haar verklaring ter zitting van het hof als gevolg van de spanningen nog steeds met psychische klachten en eetstoornissen. De gevolgen van die klachten zijn, gelet op het feit dat de gemeentelijke sociale dienst haar om die reden heeft vrijgesteld van haar sollicitatieplicht in het kader van de WWB, kennelijk dermate ernstig dat moet worden aangenomen dat [verzoekster] daardoor nog niet in staat is om te voldoen aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende inspanningsverplichting om zoveel mogelijk inkomen te genereren ten behoeve van de schuldeisers.
3.6 Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd."
5 In de eerste alinea onder 2 van het verzoekschrift klaagt [verzoekster] dat het hof heeft miskend dat de enkele omstandigheid dat een schuldenaar (nog) zodanige psychische klachten en eetstoornissen heeft dat zij door de gemeentelijke sociale dienst is vrijgesteld van haar sollicitatieplicht in het kader van de Wet werk en bijstand, niet meebrengt dat de schuldenaar daardoor niet in staat is om te voldoen aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende inspanningsverplichting om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Ook indien een schuldenaar geen arbeid kan verrichten, kan de schuldsaneringsregeling worden toegepast. Voor zover het hof zijn conclusie dat [verzoekster] nog niet in staat is om te voldoen aan de schuldsaneringsregeling op een andere grond heeft gebaseerd dan dat [verzoekster] is vrijgesteld van haar sollicitatieplicht, is het oordeel volgens de tweede alinea onder 2 van het verzoekschrift onvoldoende gemotiveerd. Tot slot betoogt de derde alinea onder 2 van het verzoekschrift dat het onjuist, althans onbegrijpelijk is dat het onaannemelijk is dat [verzoekster] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden onder controle heeft gekregen, althans is onjuist en/of onbegrijpelijk dat moet worden aangenomen dat [verzoekster] nog niet in staat is om te voldoen aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende inspanningsverplichting. [Verzoekster] heeft als omstandigheden aangevoerd die tot toepassing van art. 288 lid 3 Fw gerechtvaardigd doen zijn: i) overleg met hulpverleningsinstanties is beëindigd omdat het allemaal loopt; ii) er is contact met arbeidsintegratie en iii) de budgetcoach ondersteunt het WSNP-verzoek van [verzoekster], temeer nu zij op eigen verzoek het budgetcoaching heeft voortgezet. Voor zover het hof deze omstandigheden heeft miskend, geeft dit blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof dit niet heeft miskend dan is het oordeel onvoldoende gemotiveerd, nu in dat geval niet uit het arrest kenbaar is waarom het hof het beroep op art. 288 lid 3 Fw heeft verworpen.
6 In rov. 3.4 heeft het hof geoordeeld dat [verzoekster] niet te goeder trouw is ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de schuld van de belastingdienst die betrekking heeft op de in 2009 ten onrechte genoten kinderopvangtoeslag. Art. 288 lid 3 Fw geeft de rechter een discretionaire bevoegdheid om in een dergelijk geval een toelatingsverzoek toe te wijzen, indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden onder controle heeft gekregen. Art. 288 lid 3 Fw heeft vooral betrekking op schuldenaren die hun psychosociale of verslavingsproblematiek onder controle hebben gekregen. Dat voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar die omstandigheden beheerst, zal moeten blijken uit de door de schuldenaar getroffen maatregelen(2). Het moet gaan om objectiveerbare maatregelen: de schuldenaar dient zich onder deskundige begeleiding van bijvoorbeeld verslavingszorg of budgetbegeleiding gesteld te hebben, die ook tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling gehandhaafd zal blijven, zo lang dat nodig is. In de onderhavige zaak heeft [verzoekster] in het kader van haar beroep op art. 288 lid 3 Fw aangevoerd dat zij psychische problemen heeft, maar maatregelen heeft genomen om er bovenop te komen. Het hof erkent ook in rov. 3.5 dat [verzoekster] op de goede weg is en er sprake is van een sociaal vangnet. Volgens het hof zijn de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden niet voldoende onder controle. Het hof komt tot die conclusie omdat [verzoekster] ter zitting heeft gezegd nog steeds psychische klachten en eetstoornissen te hebben, waardoor zij door de gemeentelijke sociale dienst is vrijgesteld van haar sollicitatieplicht. Hierdoor is zij volgens het hof kennelijk nog niet in staat om te voldoen aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende inspanningsverplichting om zoveel mogelijk inkomen te genereren ten behoeve van de schuldeisers. Het hof vult het criterium van art. 288 lid 3 Fw in met het vereiste van art. 288 lid 1 aanhef en onder c Fw dat bepaalt dat: "de schuldenaar (...) zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven". Dit is niet onjuist. Een schuldenaar die ten tijde van het verzoek de oorzaak van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden niet onder controle heeft, zal zijn saneringsverplichtingen, zoals de inspanningsverplichting om baten voor de boedel te verwerven, niet kunnen nakomen. In de onderhavige zaak gaat de toets van het hof verder. Het hof gaat niet na of [verzoekster] de oorzaak van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden onder controle heeft, maar wat voor gevolgen de psychische klachten, die [verzoekster] nog heeft, hebben. Het hof overweegt immers dat door de psychische klachten [verzoekster] door de gemeentelijke sociale dienst is vrijgesteld van haar sollicitatieplicht, waardoor zij kennelijk nog niet in staat is aan haar saneringsverplichtingen te voldoen. Uit de omstandigheden die [verzoekster] heeft aangevoerd, blijkt m.i. voldoende dat zij de oorzaak van het ontstaan of onbetaald laten onder controle heeft nu het overleg met de hulpverleningsinstanties is beëindigd, omdat het allemaal loopt en [verzoekster] vrijwillig onder de begeleiding van een budgetcoach staat. Dat [verzoekster] nog psychische klachten heeft waardoor ze (nog) niet kan werken, betekent niet dat zij niet aan haar inspanningsverplichting kan voldoen. Het hof miskent dan ook dat personen die om medische redenen niet in staat zijn om te werken aan hun inspanningsverplichting kunnen voldoen. Van personen voor wie de schuldsanering is uitgesproken mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen (art. 350 lid 3 onder c Fw). De Wsnp bevat geen bepalingen die de schuldenaar verplicht inkomsten te verwerven c.q. aflossingscapaciteit te genereren(3). In de rechtspraak en literatuur wordt in het algemeen aangenomen dat uit de inspanningsverplichting voortvloeit dat van de schuldenaar verwacht mag worden dat hij zich zoveel mogelijk inspant om inkomsten te verwerven waarmee de schuldeisers kunnen worden voldaan(4). De Recofa-richtlijnen bepalen de inhoud van de inspanningsverplichting. Zo dient een schuldenaar die betaald werk heeft, zich in te spannen om dat werk te behouden en heeft een schuldenaar zonder betaald werk een sollicitatieplicht. De rechter-commissaris kan een schuldenaar een ontheffing geven voor de sollicitatieplicht onder andere wanneer de schuldenaar om medische redenen niet in staat is arbeid te verrichten. Dit betekent niet dat deze schuldenaar dus niet aan zijn inspanningsverplichting kan voldoen. In de onderhavige zaak betekent dat dat [verzoekster] zich dient in te spannen om weer arbeidsgeschikt te worden, waardoor ze kan gaan solliciteren om aan het werk te gaan. Het oordeel van het hof is m.i. onjuist, zodat het middel slaagt.
7 De conclusie sterkt tot vernietiging.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Het verzoekschrift is ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 24 januari 2011, overeenkomstig de in art. 292 lid 3 Fw genoemde cassatietermijn van 8 dagen.
2 Kamerstukken II, vergaderjaar 2006-2007, 29 942, nr. 24, p. 3.
3 A.J. Noordam, WSNP en goede trouw, 2008, p. 76.
4 Wessels Insolventierecht IX, par. 9371f en 9371g. Uit de jurisprudentie volgt dat het niet voldoen aan de sollicitatieplicht kan leiden tot beëindiging van de schuldsaneringregeling. Zie o.a.: HR 10 september 2010, LJN: BM7809; HR 22 december 2009, LJN: BK3576; HR 27 november 2009, LJN: BJ9941, RvdW 2009, 1416; HR 30 oktober 2009, LJN: BJ7840, RvdW 2009, 1276 en HR 11 juli 2008, LJN: BD3132, RvdW 2008, 745.