Nr. 10/01263 B
Mr. Silvis
Zitting: 15 maart 2011
Conclusie inzake:
[Klager]
1. De rechtbank te Amsterdam heeft bij beschikking van 10 december 2009 het door klager ingediende beklag strekkende tot opheffing van het beslag op het schip, genaamd Noppes II, gegrond verklaard en het verzoek tot teruggave niet-ontvankelijk verklaard.
2. Namens klager heeft mr. D.E. Woelinga, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte niet conform art. 552a, zevende lid, Sv de last tot teruggave heeft gegeven.
4. De bestreden beschikking houdt in, voor zover van belang:
"De officier van justitie heeft verklaard dat het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen opheffing van het beslag. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat het beslag dient te worden opgeheven. Het beklag dient te dien aanzien dan ook gegrond te worden verklaard.
Met betrekking tot de beoordeling van de vraag of het schip dient te worden teruggegeven aan klager of een ander, nu sprake is van meer dan een belanghebbende, overweegt de rechtbank dat Justitie thans niet meer over het schip beschikt. Derhalve kan de rechtbank geen bevel tot teruggave geven en wordt het verzoek tot teruggave niet-ontvankelijk verklaard. Dit laat onverlet dat de rechtbank het mogelijk acht dat, zoals de officier van justitie heeft gesteld, belanghebbende [belanghebbende] als eigenaresse van het schip moet worden gezien.
(...)
De rechtbank verklaart het beklag gegrond.
Verklaart het verzoek tot teruggave niet-ontvankelijk."
5. Het middel is terecht voorgesteld. Ingevolge art. 552a, zevende lid, Sv dient de rechter in geval van gegrondverklaring van het beklag, de 'daarmee overeenkomende last' te geven. In het geval van gegrondverklaring van een beklag strekkende tot opheffing van een beslag is dat een last tot teruggave. De omstandigheid dat het inbeslaggenomen voorwerp inmiddels aan een ander dan de klager is teruggegeven en justitie thans niet meer over dat voorwerp beschikt, staat er niet aan in de weg dat die last tot teruggave wordt gegeven.(1) Dat heeft de rechtbank miskend. Nu de rechtbank het mogelijk acht dat niet klager maar belanghebbende [belanghebbende] de eigenaar is van het schip is en nog niet is vastgesteld aan wie het schip teruggegeven zou moeten worden, kan de zaak niet zonder nieuw onderzoek naar de feiten worden afgedaan. Voor afdoening door de Hoge Raad is derhalve geen plaats.(2)
6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking waarvan beroep en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam, ten einde opnieuw recht te doen op basis van het bestaande klaagschrift.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 7 mei 1993, LJN ZC0950, NJ 1993/657 en HR 25 juni 1991, LJN ZC8663, NJ 1991/823.
2 Vgl. HR 31 mei 2005, LJN AS7591, NJ 2005, 447 waarin de Hoge Raad de zaak wel zelf afdeed door (alsnog) de teruggave te gelasten.