Nr. 09/02950
Mr. Vellinga
Zitting: 29 maart 2011 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. De verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, wegens - kort gezegd - 1. het met een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, plegen van ontuchtige handelingen mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd, 2. opzettelijk handelen in strijd met een in art. 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod en 3. diefstal met verbreking, veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 1500,-. Voor dat bedrag is tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Voor het overige heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 09/02950 en 09/02949 P. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens de verdachte heeft mr. M.G. Vos, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM in de cassatiefase is overschreden.
5. Het cassatieberoep is ingesteld op 18 mei 2009. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 17 maart 2010 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Het middel is dan ook terecht voorgesteld.
6. De Hoge Raad kan de opgelegde straf verminderen. In mijn conclusie van 22 februari 2011, LJN BP5361 heb ik op de daar vermelde gronden voorgesteld ter compensatie van de overschrijding van de inzendtermijn tot en met drie maanden de straf te verminderen met 0,5 % van de opgelegde vrijheidstraf. Teneinde echter niet in één keer geheel te breken met de tot nu toe geldende rechtspraak zou de vermindering kunnen worden beperkt tot de helft van de tot nu toe gebruikelijke maatstaf.
7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen met de helft van het percentage dat door de Hoge Raad wordt gehanteerd in zijn arrest van 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358, rov. 3.6.2 onder A. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG