ECLI:NL:PHR:2011:BQ6719

ECLI:NL:PHR:2011:BQ6719, Parket bij de Hoge Raad, 12-07-2011, 10/00263

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 12-07-2011
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 10/00263
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2011:BQ6719
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Noodweer(exces). De vraag of de verdachte zich aan de aanranding had kunnen en moeten onttrekken, is niet in algemene zin te beantwoorden. Het komt aan op de omstandigheden van het geval (vgl. HR LJN BM7508). ’s Hofs oordeel dat van de verdachte onder de gegeven omstandigheden mocht worden gevergd zich te onttrekken aan de confrontatie is zonder nadere motivering die ontbreekt niet begrijpelijk. Voor zover het Hof daarnaast aan de verwerping van het verweer ten grondslag heeft gelegd dat de wijze waarop de verdachte en zijn broer zich hebben verdedigd proportioneel is te noemen, kan dit de verwerping van het beroep op noodweerexces niet dragen, omdat het bij noodweerexces juist gaat om een overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging en om de vraag of die overschrijding verontschuldigbaar is. In zoverre is de bestreden uitspraak ontoereikend gemotiveerd.

Uitspraak

Nr. 10/00263

Mr Jörg

Zitting 24 mei 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Bij arrest van 21 december 2009 is verzoeker door het gerechtshof te Arnhem wegens openlijke geweldpleging veroordeeld tot een werkstraf van 100 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk.

2. Namens verzoeker heeft mr V.C. van der Velde, advocaat te Almere, bij schriftuur een middel van cassatie voorgedragen.

3. De zaak hangt samen met de zaak [medeverdachte] (10/00264), in welke zaak ik eveneens vandaag concludeer.

4. Het middel bevat de klacht dat het hof op dubbelzinnige wijze het beroep op noodweer en noodweerexces heeft verworpen.

5. Ten laste van verzoeker is bewezen verklaard dat:

"hij op 19 augustus 2006 te Harderwijk met een ander aan de openbare weg, Waltorenstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit

- het slaan en/of stompen tegen het hoofd of elders tegen de lichamen van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en

- het slaan met de achterkant van een schroevendraaier tegen de lip van [slachtoffer 1] en

- het maken van stekende bewegingen met een mes, althans een soortgelijk voorwerp naar het lichaam van deze [slachtoffer 1] en

- het maken van stekende bewegingen met een schroevendraaier of mes, althans een soortgelijk voorwerp naar het hoofd en/of nek en/of elders naar het lichaam van [slachtoffer 2];

- het steken met een schroevendraaier en/of een mes, althans een soortgelijk voorwerp op/in het hoofd en/of elders tegen/op/in het lichaam van [slachtoffer 2]."

6. Het hof heeft het verweer van de raadsman als volgt samengevat en verworpen:

"Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft ter zitting van het hof betoogd dat verdachte behoort te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hij heeft daartoe primair een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces en subsidiair op psychische overmacht.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte en zijn broer genoodzaakt waren zich te verweren tegen een wederrechtelijke aanval van de zijde van [slachtoffers] omdat zij geen kant op konden. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat bij verdachte en zijn broer gerede vrees bestond dat eerdere geuite ernstige bedreigingen van de zijde van [slachtoffers] daadwerkelijk uitgevoerd zouden worden. Verdachte en zijn broer stonden derhalve bloot aan een van buitenkomende drang waaraan zij redelijkerwijs geen weerstand konden bieden en waardoor zij hebben toegegeven aan hetgeen hen ten laste is gelegd.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is vast komen te staan dat er vanwege sterk conflicterende belangen bij beide partijen sprake is geweest van heftige emoties - het hof laat daarbij in het midden of die emoties zijn veroorzaakt door culturele aspecten dan wel boosheid - waarbij zij elkaar over een weer hebben geslagen. Het hof is met de eerste rechter van oordeel dat de feitelijke gang van zaken onduidelijk blijft en derhalve niet met zekerheid kan worden vastgesteld welke partij de aanval heeft geopend.

Wat daar ook van zij, zelfs indien aangenomen zou moeten worden dat [slachtoffers] zijn begonnen, dan nog is niet aannemelijk geworden dat in casu sprake is geweest van een noodweersituatie. Volgens verdachte en zijn broer stonden zij vóór de winkel van verdachte, toen zij [slachtoffers] zagen aankomen. Verdachte en zijn broer hadden die confrontatie kunnen vermijden door zich terug te trekken in de winkel van verdachte. Daarenboven is ook de wijze waarop verdachte en zijn broer zich hebben verdedigd (met een mes of een daarop gelijkend voorwerp) disproportioneel te noemen nu uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat (een of meer van) [slachtoffers] de beschikking had(den) over dergelijke voorwerpen. Het hof verwerpt derhalve het beroep op noodweer dan wel noodweerexces.

Het hof verwerpt ook het beroep op psychische overmacht, nu uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat verdachte (en zijn broer) eerder ernstig zijn bedreigd door [slachtoffers].

Verdachte is strafbaar nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn."

7. Blijkens het proces-verbaal van de appèlzitting zijn de in de bewezenverklaring genoemde [slachtoffers] zelf ook gestraft voor hun aandeel in de openlijke geweldpleging.

8. Volgens de toelichting op het middel heeft het hof twee argumenten gecombineerd ter verwerping van het beroep op noodweer, ten gevolge waarvan het onduidelijk is voor verzoeker op welke grond het beroep is verworpen. Het hof redeneert enerzijds dat onduidelijk is gebleven welke partij met de aanval is begonnen; anderzijds dat zelfs als de aanval door [slachtoffers] is geopend, verzoeker zich had kunnen terugtrekken en zich bovendien op disproportionele wijze heeft verdedigd.

9. Op zichzelf is het toelaatbaar indien de rechter de feitelijke toedracht van een gebeurtenis in het midden laat, indien het handelen van een verdachte hoe dan ook strafbaar is, namelijk om de door de rechter uiteengezette redenen. In zoverre faalt de klacht.

10. Echter, blijkens de hierboven geciteerde overweging van het hof heeft het zich op het standpunt gesteld dat verzoeker en zijn broer [medeverdachte], die buiten de winkel stonden en [slachtoffers] zagen aankomen, de confrontatie met hen hadden kunnen vermijden door zich terug te trekken in de winkel. Aldus stelt het hof een eis aan een beroep op noodweer die net een stap te ver gaat. Hoe aanbevelenswaardig het misschien ook is om in een dreigende conflictsituatie de verstandigste te zijn en het conflict te vermijden: verzoeker was gerechtigd om buiten vóór zijn winkel te staan en te blijven staan. Zo is men ook gerechtigd om te proberen een vordering te innen bij iemand van wie men weet dat hij daardoor agressief kan worden;(1) en zo behoeft men ook niet zijn woonwagen te verlaten als kort tevoren is opgebeld dat er gewapende mannen in aantocht zijn.(2) In zoverre geeft het oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

11. Het tweede anker waarvoor het hof is gaan liggen betreft de disproportionele wijze van verdedigen. Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat er een (ordinaire) knokpartij begonnen werd. Daarbij is het op zijn minst onsportief om - van de zijde van verzoeker - met steekinstrumenten op de proppen te komen (bewijsmiddel 8). In zoverre is het oordeel van het hof dat de verdediging disproportioneel was begrijpelijk en rechtens niet onjuist.

12. Het middel faalt. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Taxichaffeursarrest, HR 28 maart 2006, LJN AU8087, NJ 2006, 509 m.nt. Y. Buruma.

2 Juliët-bende: HR 21 december 2004, LJN AR3687, NJ 2007, 469 m.nt. D.H. de Jong.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl RvdW 2011/1014 NbSr 2011/281
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?