ECLI:NL:PHR:2011:BR0444

ECLI:NL:PHR:2011:BR0444, Parket bij de Hoge Raad, 20-09-2011, 10/00307

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 20-09-2011
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 10/00307
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2011:BR0444
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 3 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, art. 285 Sr. HR herhaalt de relevante overwegingen uit HR LJN BG6562 en HR LJN AT3659. ’s Hofs oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk.

Uitspraak

Nr. S 10/00307

Mr. Vegter

Zitting 14 juni 2011

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 24 december 2009 ter zake van feit 1: "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd"; feit 2: "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht"; feit 3: "belaging"; en feit 4: "eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar, gedurende of terzake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Roermond van 4 april 2006 onder parketnummer 04-850817-05, te weten: gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Daarenboven heeft het Hof de vordering tot gevangenneming van de verdachte afgewezen.

2. Verdachte heeft cassatie ingesteld. Namens verdachte heeft mr. J.C. Oudijk, advocaat te Venlo, een schriftuur ingezonden houdende vier middelen van cassatie. Tevens is een geschrift binnengekomen van [verdachte], waarop de Hoge Raad geen acht kan slaan, omdat de indiening van cassatiemiddelen door een advocaat dient te geschieden, waartoe mede behoort de toelichting daarop (art. 437 lid 2 Sv; HR 18 juni 2002, LJN AE2646, HR 27 mei 2008, LJN BC7904, NJ 2008/314).

3. Het eerste middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 1. Het middel behelst zoals blijkt uit de toelichting daarop twee klachten, die beide ertoe strekken dat er geen sprake is geweest van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Deze twee klachten zullen achtereenvolgens worden besproken.

4. Ten eerste wordt in het eerste middel geklaagd over de overweging van het Hof, weergegeven in het bestreden arrest op pagina 10 onder 'ad 1', inhoudende dat de getuige [slachtoffer 3] ter zitting van het Hof heeft verklaard dat hij na ontvangst van de aan hem gerichte brief de strekking daarvan, te weten: dat het ging om een levensbedreiging, ter kennis heeft gebracht van zijn kinderen, en dat het terzake gevoerde verweer feitelijke grondslag mist. Gesteld wordt dat uit de door het Hof als bewijsmiddel 17 gebezigde verklaring van [slachtoffer 3] ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat hij weliswaar heeft verklaard dat hij zijn kinderen "de strekking van de kaart" heeft verteld en dat hij hen heeft "moeten laten weten dat er sprake was van behoorlijk gevaar en dreiging", maar dat in voornoemde verklaring niet gesproken wordt over een levensbedreiging als overgebrachte strekking van de kaart. Aldus zou de overweging van het Hof dat het verweer in zoverre feitelijke grondslag mist onjuist zijn. Daarentegen zou juist de motivering van de verwerping van dat verweer feitelijke grondslag missen, althans is het verweer op gronden verworpen die deze verwerping niet kunnen dragen.

5. Ten laste van verdachte is onder feit 1 bewezenverklaard dat:

"hij in de maand december 2007 in de gemeente Roermond [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een brief doen toekomen aan [slachtoffer 3], zijnde [slachtoffer 3] de vader van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waarin onder meer vermeld stond: "Gelukkig is hij, die jouw kindertjes zal grijpen ......... en tegen een steenrots verplettert"."

6. Het bestreden arrest houdt - voor zover voor de beoordeling van het eerste middel van belang - het volgende in:

"Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.

De raadsman heeft namens de verdachte met betrekking tot het onder parketnummer 04-851171-07 onder 1. ten laste gelegde ten verweer betoogd dat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Daartoe is aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat:

1. niet vast is komen te staan dat de ten laste gelegde bewoordingen ter kennis zijn gekomen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2];

2. de door verdachte gebezigde, in de tenlastelegging vermelde, bewoordingen geen bedreiging inhouden, maar slechts het iemand kwaad toewensen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt:

Ter terechtzitting in hoger beroep is de in de tenlastelegging genoemde [slachtoffer 3], zijnde de vader van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voornoemd, als getuige gehoord. Hij heeft daarbij verklaard dat hij, na ontvangst van de aan hem door verdachte gerichte brief waarin de gewraakte bewoordingen waren opgenomen, de strekking daarvan, te weten: dat het ging om een levensbedreiging, ter kennis heeft gebracht van zijn kinderen. Dat hij daarbij zijn kinderen niet de exacte bewoordingen heeft overgebracht acht het hof te dezen niet doorslaggevend.

Het verweer mist in zoverre derhalve feitelijke grondslag."

7. Bewijsmiddel 17 bevat de verklaring van de getuige [slachtoffer 3], zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 10 december 2009.(1) Die verklaring houdt - voor zover voor de beoordeling van het eerste middel van belang - onder meer het volgende in:

"Naar aanleiding van de kaart van [verdachte] waarin hij spreekt over het verpletteren van mijn kinderen tegen een rots, heb ik aan mijn kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] moeten laten weten dat er sprake was van behoorlijk gevaar en dreiging. Het was zodanig gevaarlijk dat zij niet meer alleen over straat mochten. Ik heb mijn kinderen de strekking van de kaart verteld. Dat heeft een enorme impact op hun leven gehad. Zij konden nergens meer naar toe. Zij konden niet meer zelf naar school gaan. Op kinderen die in groep 7 en 8 heeft zoiets een enorme impact.

Kort vóór de zitting in eerste aanleg is de tekst van het dreigement met Kerstmis 2007 integraal in een Limburgse krant gepubliceerd op de voorpagina. In dat artikel is ook mijn naam vermeld en in de spelling daarvan heeft men een fout gemaakt die [verdachte] ook vaak in zijn kaarten en brieven maakte.

(...)

Het is duidelijk dat [verdachte] ons dood wenst. De zinsnede over het verpletteren van mijn kinderen tegen een steenrots, kan ik niet anders duiden dan een directe dreiging tegen mij, mijn kinderen en mijn vrouw. [Verdachte] liet steeds merken dat hij heel dicht bij ons kon komen. Hij heeft ons op een gegeven moment een kaart gestuurd, waarin hij beschrijft dat onze dochter boos was geweest en dat klopte ook. (...)"

8. De overweging van het Hof dat het verweer in zoverre feitelijke grondslag mist, is niet onbegrijpelijk. Anders dan in de toelichting op het eerste middel wordt betoogd, blijkt immers uit de verklaring van getuige [slachtoffer 3] (bewijsmiddel 17) dat die getuige niet alleen heeft verklaard dat hij aan zijn kinderen [slachtoffer 1 en 2] heeft moeten laten weten dat er sprake was van behoorlijk gevaar en dreiging, maar ook dat het [slachtoffer 3] duidelijk was dat verdachte hem, diens vrouw en diens kinderen [slachtoffer 1 en 2] dood wenste en dat [slachtoffer 3] de zinsnede over het verpletteren van zijn kinderen tegen een steenrots niet anders kon duiden dan een directe dreiging tegen hem, zijn kinderen en zijn vrouw. Gelet op deze passages uit de verklaring van [slachtoffer 3] ter terechtzitting in hoger beroep (en zoals weergegeven in bewijsmiddel 17) is de overweging van het Hof dat de strekking van de door verdachte aan [slachtoffer 3] gerichte brief was dat het ging om een levensbedreiging niet onbegrijpelijk. Uit voornoemde verklaring blijkt eveneens dat de gewraakte bewoordingen weliswaar niet letterlijk ter kennis zijn gekomen van [slachtoffer 1 en 2], maar wel dat [slachtoffer 3] de strekking daarvan heeft overgebracht aan zijn kinderen. Ter afwijzing van het door de raadsman gevoerde betoog heeft het Hof bovendien opgemerkt dat de omstandigheid dat [slachtoffer 3] zijn kinderen niet de exacte bewoordingen heeft overgebracht niet doorslaggevend is. Aldus is het oordeel van het Hof dat het verweer van de raadsman - voor zover inhoudende dat de gewraakte bewoordingen geen bedreiging inhouden, maar slechts het iemand kwaad toewensen - feitelijke grondslag mist, niet onbegrijpelijk. In zoverre faalt het eerste middel.

9. De toelichting op het eerste middel behelst ten tweede de klacht dat de ten laste gelegde en bewezenverklaarde Bijbeltekst niet in het algemeen geëigend is om bij degene die van deze tekst kennisneemt redelijkerwijs de vrees te wekken dat hij het leven zal verliezen. Aangevoerd wordt dat het enkel citeren van een Bijbeltekst daartoe onvoldoende is, omdat die tekst niets inhoudt waaruit volgt dat de afzender voornemens is, de daarin beschreven handelingen op enigerlei wijze te bevorderen, maar niets meer inhoudt dan dat iemand ernstig kwaad wordt toegewenst. Onderhavige zaak zou derhalve parallel moeten worden getrokken met HR 18 januari 2005, LJN AR7062, waarin de Hoge Raad oordeelde dat de bewoordingen "kankerwouten, die teringlijers moeten ze allemaal afmaken" te algemeen waren om van bedreiging in de zin van art. 285 Sr te kunnen spreken.

10. Het bestreden arrest houdt - voor zover voor de beoordeling van deze klacht van belang - het volgende in:

"De bewezen verklaarde uitlating "Gelukkig is hij, die jouw kindertjes zal grijpen ... en tegen een steenrots verplettert" is in het algemeen geëigend om bij bedreigden redelijkerwijs de vrees op te wekken dat zij het leven zullen verliezen. Voorts waren de omstandigheden waaronder die woorden zijn geuit - dienaangaande verwijst het hof naar hetgeen het hieronder C. overweegt - zodanig dat die vrees redelijkerwijs kon ontstaan. Blijkens de getuige-verklaring van [slachtoffer 3] ter terechtzitting in hoger beroep is dat ook inderdaad het geval geweest.

Bijgevolg wordt het verweer verworpen."

11. De gewraakte passage is (kennelijk) afkomstig uit de slotverzen van Psalm 137:9, luidende: "Gelukkig hij, die u zal vergelden hetgeen gij ons hebt aangedaan; gelukkig hij, die uw kinderen zal grijpen en tegen de rotsen verpletteren."(2)

12. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigden de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen.(3) Daarbij kan het zijn dat reeds de gebezigde uitlatingen ten volle - op zichzelf beschouwd dus - de bedreiging insluiten; als dit niet het geval is kunnen de omstandigheden waaronder de uitlatingen zijn gedaan aan deze niettemin het karakter van bedreiging verlenen (HR 18 januari 2005, LJN AR7062, NJ 2005/145). De tegenover politieagenten gedane uitlating: "Die kankerwouten, die teringlijers moeten ze allemaal afmaken" levert op zichzelf nog geen bedreiging in de zin van art. 285 Sr op, en als niets wordt vastgesteld over de omstandigheden waaronder die uitlating is gedaan, gaat de zaak in cassatie over de kop. Zo ook levert, zonder enige aanduiding van een voorgenomen gedraging tegen het leven van het slachtoffer, de uitlating: "Bedankt voor die 8 jaar en als ik vrij kom, dan ga ik jou als eerste pakken" geen bedreiging met een misdrijf tegen het leven op. Van belang in deze zaak lijkt dat de bedreiger die acht jaar opgelegd heeft gekregen voor zedendelicten (HR 7 juni 2005, LJN AT3659, NJ 2005/448).

13. Het Hof heeft overwogen dat de bewezenverklaarde uitlating in het algemeen geëigend is om bij bedreigden redelijkerwijs de vrees op te wekken dat zij het leven zullen verliezen. De gewraakte bewoordingen in het onderhavige geval zijn naar mijn mening concreter dan in de door de steller van het middel aangehaalde arrest van HR 18 januari 2005, LJN AR7062, NJ 2005/145. Immers heeft verdachte de woorden "jouw kinderen" gebruikt. Dat de gewraakte bewoordingen (kennelijk) een Bijbeltekst betreffen, doet daaraan mijns inziens niet af. Daarnaast heeft het Hof overwogen dat de omstandigheden waaronder die woorden zijn geuit zodanig waren dat die vrees redelijkerwijs kon ontstaan. Voorts heeft het Hof in de onderhavige zaak naar de omstandigheden verwezen waaronder de gewraakte uitlating is gedaan en deze aldus in zijn oordeel betrokken. Immers verwijst het Hof naar zijn bijzondere overwegingen omtrent het bewijs onder C, zoals samengevat onder vii, erop neerkomende dat het Hof het gevolg trekt dat verdachte wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangever [slachtoffer 3]. Tot slot geldt mijns inziens dat "verpletteren" concreter is dan "pakken" (vgl. HR 7 juni 2005, LJN AT3659, NJ 2005/448).

14. Voor zover de steller van het middel voorts heeft betoogd dat art. 285 Sr slechts ziet op bedreiging met een door de "bedreiger" zelf te plegen misdrijf geldt dat die opvatting geen steun vindt in het recht.(4)

15. Op grond van het vorenstaande geeft het oordeel van het Hof geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting aangaande de eisen die de wet in art. 285 Sr stelt aan strafbare bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Het eerste middel faalt mitsdien in al haar onderdelen.

16. Het tweede en derde middel lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Het tweede middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van het onder parketnummer 04-851171-07 sub 3 ten laste gelegde (in het bestreden arrest aangeduid als feit 2) vanwege de overweging in het bestreden arrest op pagina 11, voor zover inhoudende dat verdachte ervan "diende uit te gaan" (culpa) dat de aan [betrokkene 1] gerichte brieven ter kennis van [slachtoffer 3] zouden worden gebracht. Het derde middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van het onder parketnummer 04-851171-07 sub 4 primair ten laste gelegde (in het bestreden arrest aangeduid als feit 3) vanwege de overweging in het bestreden arrest op pagina 13, voor zover inhoudende dat verdachte ervan uit diende te gaan dat door hem aan anderen gerichte brieven ter kennis van [slachtoffer 3] zouden worden gebracht, zou onvoldoende begrijpelijk zijn.

17. Ten laste van de verdachte is onder parketnummer 04-851171-07 sub 3 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 19 januari 2008 tot en met 01 februari 2008 in de gemeente Roermond [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend [betrokkene 1] een brief doen toekomen, welke brief ter kennis van voornoemde [slachtoffer 3] is gekomen, waarin vermeld stond:

"Lieve schat, je kunt begrijpen dat ik mijn leven hier moet beschermen. Dus als iemand bij mij doorvraagt: "kinderen van wie!" of: "waar woont hij dan?" of: "hoeveel kinderen heeft hij?"... dan MOET ik vaker vertellen (soms onder dwang!) dat hij [slachtoffer 3] heet en dat hij, precies gezegd, "VLAK ACHTER [...]" woont, enz. Dus om mijn leven te kunnen redden (uit hun klauwen). Maar: "het spijt me zo"... voor de kinderen van [slachtoffer 3] ...En voor hemzelf! Want stel dat er iemand is, die (ook toevallig) nog een appeltje te schillen had met [slachtoffer 3]... en binnenkort vrijkomt ... Ik moet er niet aan denken! (maar als zijn huis binnenkort afbrandt, dan zie ik 't wel op het journaal. Zoiets gebeurt wel vaker toch?) (Consequentie voor Justitie!!! O.M.) IS DIT HETGEEN WIJ WILLEN, BESTE [...]? Lieve schat? Het leven van [slachtoffer 3] + vrouw + kinderen loopt groter gevaar naar de mate dat ik hier (of elders) ben opgesloten! Besef je dat wel?";"

18. Ten laste van verdachte is onder parketnummer 04-851171-07 sub 4 primair bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 23 augustus 2006 tot en met 19 januari 2008 in de gemeente Roermond wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 3], met het oogmerk [slachtoffer 3] te dwingen iets te doen en vrees aan te jagen, immers heeft verdachte

- meerdere kaarten en brieven gestuurd naar [slachtoffer 3] op diens huisadres en

- meerdere brieven gestuurd naar [betrokkene 1], hoofdofficier van justitie te Roermond en [betrokkene 2], medewerker van het arrondissementsparket Roermond, welke brieven ter kennis zijn gebracht van [slachtoffer 3],

in welke brieven en/of kaarten laatdunkende passages waren opgenomen over [slachtoffer 3] en opmerkingen werden gemaakt over de privé-situatie en de kinderen van [slachtoffer 3] en werd gedreigd met, dan wel nadrukkelijk toespelingen werden gemaakt op door verdachte en/of andere personen jegens [slachtoffer 3] en/of jegens (een van) de kinderen van [slachtoffer 3] te plegen (ernstige) strafbare feiten;"

19. Zoals blijkt uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 december 2009 gehechte pleitaantekeningen heeft de raadsman van verdachte - voor zover voor de beoordeling van het tweede middel van belang - ten aanzien van het onder parketnummer 04-851171-07 sub 3 tenlaste gelegde aangevoerd dat:

"(...)

- De opzet van cl. (PV: telkens bedoeld wordt "cliënt") was er niet op gericht [slachtoffer 3] te bedreigen.

- De brief was niet aan [slachtoffer 3] gericht en cl zegt er niet aan te hebben gedacht dat deze ter kennis van [slachtoffer 3] zou worden gebracht.

- Opzettelijk bedreigen houdt in dat cl. het moest weten en willen. Minstgenomen moet hij het op de koop toe hebben genomen. Maar dat kan alleen als je eraan hebt gedacht.

- Hier ontbreekt reeds het weten.

- Het is wellicht dom dat hij niet heeft bedacht dat [slachtoffer 3] op de hoogte gebracht zou worden, maar dat verwijt is een (onbewust) culpoos verwijt.

- En culpa is geen opzet

- Vrijspraak."

20. Zoals blijkt uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 december 2009 gehechte pleitaantekeningen heeft de raadsman van verdachte - voor zover voor de beoordeling van het tweede middel van belang - ten aanzien van het onder parketnummer 04-851171-07 sub 4 tenlaste gelegde aangevoerd dat:

"(...)

- De andere ontvangers van brieven zijn niet [slachtoffer 3]

- Dan zou hij niet aan een parketmedewerker hebben geschreven, maar aan [slachtoffer 3]."

21. Voorts heeft de verdachte, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 december 2009 (p. 5), verklaard dat hij [betrokkene 1] had willen waarschuwen en dat zij (PV: bedoeld wordt hoofdofficier van justitie [betrokkene 1]) had moeten weten dat de brief voor haar was bestemd en niet voor [slachtoffer 3].

22. De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs onder B houden - voor zover voor de beoordeling van het tweede middel van belang - het volgende in:

"B.

De raadsman heeft namens de verdachte met betrekking tot het onder parketnummer 04-851171-07 onder 3. ten laste gelegde ten verweer betoogd dat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Daartoe is aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk [slachtoffer 3] heeft bedreigd, omdat hij niet kon weten dat de door hem aan [betrokkene 1] gestuurde brief d.d. 19 januari 2008 ter kennis zou komen van [slachtoffer 3].

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat tussen verdachte en [slachtoffer 3] sprake was van langdurige problematiek waarbij reeds eerder door de verdachte jegens [slachtoffer 3] bedreigingen waren geuit, hetgeen toen ook heeft geleid tot de strafvervolging en veroordeling van de verdachte.

Gelet daarop, almede gelet op de aard en de ernst van de bedreigingen zoals in voormelde brief verwoord, diende verdachte er redelijkerwijs van uit te gaan dat door hem aan medewerkers van justitie, zoals [betrokkene 1], hoofdofficier van justitie te Roermond, gerichte brieven - inhoudende nieuwe bedreigingen jegens [slachtoffer 3] - door de geadresseerde ter kennis zouden worden gebracht van laatstgenoemde, hetgeen ook is geschied.

Door onder die omstandigheden een brief aan [betrokkene 1] te sturen, waarin de in de tenlastelegging weergegeven bewoordingen zijn opgenomen, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat die bewoordingen ter kennis van [slachtoffer 3] zouden komen."

23. De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs onder D houden - voor zover voor de beoordeling van het derde middel van belang - het volgende in:

"D.

De raadsman heeft ten betoge van zijn standpunt dat de verdachte van het bij parketnummer 04-851171-07 onder 4. ten laste gelegde moet worden vrijgesproken aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 3], omdat hij niet kon weten dat de door hem aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gestuurde kaarten en/of brieven ter kennis zouden komen van [slachtoffer 3].

Het hof verwerpt dit verweer met dezelfde overweging als die waarmee het het hierboven onder B. weergegeven verweer heeft verworpen, met dien verstande dat daar telkens na de naam [betrokkene 1] (hoofdofficier van justitie te Roermond) ware te lezen "en/of [betrokkene 2] (medewerker van het arrondissementsparket Roermond)" en in stede van het woord "brief" de woorden "brieven en/of kaarten"."

24. De toelichting op het tweede respectievelijk derde middel behelst de klacht dat het Hof, door in zijn bijzondere overwegingen tot het bewijs onder B respectievelijk D te overwegen dat verzoeker ervan "diende uit te gaan" dat de ontvanger(s) van de aan medewerkers van justitie, zoals de hoofdofficier van justitie [betrokkene 1] gerichte brieven (middel 2) respectievelijk de aan die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gestuurde kaarten en/of brieven (middel 3) deze zou doorgeleiden aan [slachtoffer 3], het voor opzet vereiste "weten" onvoldoende heeft gemotiveerd. De overweging dat verdachte wel hiervan "diende uit te gaan", zou slechts impliceren dat verdachte beter had moeten nadenken, maar niet dat bij verdachte de voor opzet vereiste wetenschap heeft bestaan. Gesteld wordt telkens dat in die overweging wel culpa besloten ligt, maar niet (voorwaardelijk) opzet, zodat de bewijsbeslissing onjuist is gemotiveerd.

25. Het Hof heeft in zijn bijzondere overwegingen omtrent het bewijs onder B respectievelijk D geoordeeld dat verdachte er redelijkerwijs van uit diende te gaan dat de aan [betrokkene 1] (hoofdofficier van justitie te Roermond) gerichte brieven, respectievelijk aan [betrokkene 1] (hoofdofficier van justitie te Roermond) en/of [betrokkene 2] (medewerker van het arrondissementsparket Roermond) gerichte brieven en/of kaarten - inhoudende nieuwe bedreigingen jegens [slachtoffer 3] - door de geadresseerde ter kennis zouden worden gebracht aan [slachtoffer 3] (hetgeen ook is geschied), waardoor verdacht bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat die bewoordingen ter kennis van [slachtoffer 3] zouden komen.

In het licht van het ter zitting aangevoerde was het Hof niet verplicht verder op het bewijs van opzet in te gaan, nu de raadsman van verdachte ter zake van het in het tweede respectievelijk het derde middel bedoelde verweer niet meer heeft betoogd dan dat "cliënt zegt er niet aan te hebben gedacht dat deze ter kennis van [slachtoffer 3] zou worden gebracht" (middel 2), respectievelijk dat verdachte niet kon weten dat de door hem aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gestuurde kaarten en/of brieven ter kennis zouden komen van [slachtoffer 3] (middel 3). Het Hof heeft deze beide verweren ('niet aan hebben gedacht' respectievelijk 'niet kon weten') verworpen op grond van de omstandigheid dat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat tussen verdachte en [slachtoffer 3] sprake was van langdurige problematiek waarbij reeds eerder door de verdachte jegens [slachtoffer 3] bedreigingen waren geuit, hetgeen toen ook heeft geleid tot de strafvervolging en veroordeling van de verdachte. Gelet op die omstandigheden was hier uiteraard te verwachten dat de inhoud van die brieven door de medewerkers van justitie zou worden doorgegeven aan [slachtoffer 3]. Het oordeel van het Hof dat verdachte onder die omstandigheden gelet op de aard en de ernst van de bedreigingen zoals in voornoemde brieven en/of kaarten verwoord bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat die bewoordingen ter kennis van [slachtoffer 3] zouden komen is dan ook niet onbegrijpelijk. Aldus is het (voorwaardelijk) opzet ten aanzien van de in het tweede en derde middel bedoelde brieven m.i. voldoende gemotiveerd. Het tweede middel en derde falen mitsdien.

26. Het vierde middel behelst de klacht dat het Hof onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd heeft afgewezen het door de raadsman gedane verzoek om een beschikking als bedoeld in art. 509a Sv, dan wel een onderzoek als bedoeld in art. 509b Sv.

27. Ingevolge artikel 509b, tweede lid, Sv is de beslissing van het gerecht, bij het eerste lid van artikel 509a bedoeld, niet aan enig rechtsmiddel onderworpen.(5) De in artikel 509a, eerste lid, Sv bedoelde beslissing is de beslissing inhoudende een verklaring dat de verdachte tengevolge van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen. Ik lees artikel 509b, tweede lid, Sv zo dat er geen rechtsmiddel bestaat als een dergelijke verklaring wordt gegeven. Dat betekent nog niet dat het instellen van rechtsmiddelen eveneens is uitgesloten indien een dergelijke verklaring ondanks daartoe gedaan verzoek of daartoe strekkende vordering wordt afgewezen of een verzoek tot nader onderzoek in verband met een eventuele verklaring wordt afgewezen. Ik zie niet in dat dan niet het gebruikelijke uitgangspunt geldt dat tegen de tussenbeslissing beroep in cassatie kan worden ingesteld gelijktijdig met het beroep in cassatie tegen de eindbeslissing.(6)

28. Het proces-verbaal van terechtzitting in hoger beroep van 10 december 2009 houdt - voor zover voor de beoordeling van het vierde middel van belang - het volgende in:

"Ik wil uw hof verzoeken om een beschikking ex artikel 509a Wetboek van Strafvordering te geven, ofwel een onderzoek ex artikel 509b van genoemde wet te gelasten, aangezien vermoed kan worden dat cliënt lijdt aan een dusdanige gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens dat hij tengevolge daarvan niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen. Cliënt maakt in het kader van de verdediging bijzonder onverstandige keuzes en is niet in staat zijn verdediging behoorlijk te voeren. Ik meen dat mensen zoals cliënt tegen hun eigen beperkingen moeten worden beschermd.

Mijn verzoek is geen preliminair verweer. Uw hof kan in elke stand van het onderzoek een dergelijke beslissing nemen.

Het hof wijst het verzoek van de raadsman af op beide onderdelen. Die afwijzing wordt gebaseerd op de deskundigenrapporten die omtrent de verdachte zijn opgemaakt en op de overige inhoud van het procesdossier. In het één noch het ander heeft het hof aanleiding gevonden om te bepalen dat de verdachte zijn belangen niet behoorlijk zou kunnen behartigen. Ook een onderzoek daarnaar acht het hof vooralsnog niet noodzakelijk."

29. De toelichting op het vierde middel behelst de klacht dat de motivering van 's Hofs afwijzing van het door de raadsman ingediende verzoek als bedoeld in art. 509a en de beslissing van het Hof om geen nader onderzoek als bedoeld art. 509b Sv in te stellen in het licht van de door het Hof aangehaalde onderzoeken onbegrijpelijk is. Daartoe wordt verwezen naar de op 6 april 2008 ten behoeve van onderhavige zaak uitgebrachte rapportage van de psychiater Gerards, voor zover inhoudende:

"Betrokkene moet voortdurend alle zeilen bijzetten om contact met de realiteit te behouden wat hem bij oplopende spanningen en ontbrekende externe structuur niet meer lukt (...). Feitelijk kan gesteld worden dat betrokkene dermate kwetsbaar is en zijn psychologische afweerstrategieën dermate beperkt en onvoldoende effectief tegen (kleine) stressoren uit zijn omgeving dat hij voortdurend ontregelt, contact met de realiteit verliest ten faveure van eigen fantasiebelevingen en daarmede in meer of mindere mate chronisch psychotisch door het leven gaat."

30. In de toelichting op het middel wordt niet met zoveel woorden duidelijk gemaakt waarom de hiervoor onder 28 weergegeven beslissing van het Hof op het verzoek als bedoeld in art. 509a Sv, dan wel de beslissing van het Hof om geen onderzoek als bedoeld in art. 509b Sv in te stellen onbegrijpelijk is, maar uitsluitend wordt betoogd dat die afwijzing cq beslissing onjuist en onbegrijpelijk is. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof geoordeeld dat verdachte die voortdurend alle zeilen moet bijzetten om contact met de realiteit te houden en in meer of minder mate psychotisch is nog wel voldoende in staat was zijn belangen ter zitting behoorlijk te behartigen. Op grond daarvan heeft het Hof op juiste gronden het verzoek als bedoeld in art. 509a Sv kunnen afwijzen en tevens kunnen oordelen dat het in het middel bedoelde onderzoek niet nodig was. Het vierde middel faalt mitsdien eveneens.

31. De vier voorgestelde middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

32. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ik merk op dat de aanvulling bewijsmiddelen inhoudt bewijsmiddel 17, waarin kennelijk bij vergissing wordt vermeld dat vernoemde getuige deze verklaring op 21 januari 2010 heeft afgelegd. Bedoeld wordt 10 december 2009.

2 Vgl. J.M. Brinkman, Psalmen IV, Een praktische bijbelverklaring (Kampen: Uitgeverij Kok, 2001, bij 137), waarin de tekst als volgt wordt uitgelegd: "De gedachte achter de Hebreeuwse grondtekst is misschien wel de volgende: Wanneer de kinderen van een volk worden uitgeroeid zal het volk van het toneel verdwijnen. Zij zullen dan nooit meer de wandaden kunnen plegen die zij tegen Israël gepleegd hadden."

3 Vgl. HR 7 juni 2005, LJN AT3659, NJ 2005/448.

4 Vgl. HR 15 december 2009, LJN BJ7237. In die zaak had verdachte op zijn website de volgende tekst geplaatst: "Liquidatie Balkenende dreigt. In de kringen van de redactie van verkiezingen.nl wordt openlijk over de dood van Jan Peter Balkenende gesproken. Hoewel eigenrichting afgekeurd moet worden, is de standrechtelijke executie van Jan Peter Balkenende misschien wel de verstandigste beslissing. Hoe anders kan worden voorkomen dat Balkenende zich na de verkiezingen van 22 november 2006 voldoende gesteund voelt om de volgende 650.000 Irakezen te endlösen".

5 Zie Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 6de druk, p. 838.

6 Zo begrijp ik ook Blok/Besier, Het Nederlandsche strafprocesrecht, derde deel (Haarlem, 1926), p. 77, derde alinea.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?