Nr. 10/03278
Mr. Vellinga
Zitting: 5 juli 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens "Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 10/03278 en 10/03280. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens verdachte heeft mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat te Goirle, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel klaagt dat voor het bewijs zijn gebruikt verklaringen van medeverdachten die niet voorafgaand aan hun eerste verhoor zijn gewezen op de mogelijke consultatie van een advocaat terwijl niet blijkt dat zij van die mogelijkheid ondubbelzinnig afstand hebben gedaan.
5. Het Hof heeft het verweer inhoudende dat verdachtes medeverdachten niet voorafgaand aan hun eerste verhoor zijn gewezen op de mogelijke consultatie van een advocaat, afgewezen met de overweging dat de verdachte door dit eventuele verzuim niet is geschonden in belangen die de overtreden norm beoogt te beschermen. Deze motivering geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan de verwerping van het verweer dragen; vgl. HR 7 juni 2011, LJN BP2740. Het Hof kon bedoelde verklaringen dus voor het bewijs gebruiken.
6. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG