11/00719
Mr. L. Timmerman
Parket: 8 juli 2011
Conclusie inzake:
[Verzoekster]
verzoekster tot cassatie
Verkorte conclusie
1 Bij vonnis van13 december heeft de rechtbank Utrecht het verzoek van [verzoekster] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsanering afgewezen omdat binnen de periode van tien jaar eerder de schuldsaneringsregeling op [verzoekster] van toepassing is geweest en die regeling is beëindigd op grond van het ontstaan van nieuwe schulden. Sinds die beëindiging heeft [verzoekster] een groot aantal nieuwe schulden laten ontstaan, waarbij [verzoekster] naar het oordeel van de rechtbank niet te goeder trouw is geweest.
2 [Verzoekster] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Amsterdam nevenzittingsplaats Arnhem. Het hof heeft de zaak ter zitting van 27 januari 2011 behandeld. Bij arrest van 3 februari 2011 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
3 Tegen dit arrest heeft [verzoekster] op 11 februari 2011, de laatste dag van de cassatietermijn(1), beroep in cassatie ingesteld. Het verzoekschrift is ingediend door mr. J.R.A. Röschlau, advocaat te Utrecht. Dit cassatieverzoekschrift voldoet niet aan de eisen van art. 426a lid 1 Rv omdat het niet is ingediend en ook niet is getekend door een advocaat bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft in de zaak van 10 juli 2009(2) beslist dat het verzuim om advocaat te stellen binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad van het oorspronkelijke verzoekschrift kan worden hersteld. Op 1 maart 2011 heeft mr. M.A.R. Schuckink Kool, advocaat bij de Hoge Raad, hetzelfde verzoekschrift ingediend en ondertekend. Dit is te laat nu de termijn om het verzuim te herstellen op 25 februari 2011 verliep.
4 Ik concludeer tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 De cassatietermijn is blijkens art. 292 lid 5 FW 8 dagen.
2 HR 10 juli 2009, LJN: BI0773, NJ 2010 212 m.nt. H.J. Snijders.