Nr. 10/04929
Mr. Machielse
Zitting 13 september 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij verstek op 23 augustus 2010 het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de Rechtbank Amsterdam van 8 juli 2009, met toepassing van het tweede lid van artikel 416 Sv Sv niet-ontvankelijk verklaard.
2. Mr. M. van Delft, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.
3.1. Het middel klaagt dat het recht van verdachte om in hoger beroep aanwezig te zijn bij zijn berechting is geschonden. De dagvaarding van hoger beroep is weliswaar op correcte wijze uitgereikt, maar aan het hof was niet bekend dat verdachte op 3 februari 2010 voorlopig ter beschikking was gesteld van de Italiaanse autoriteiten op grond van een Europees aanhoudingsbevel. Aan de schriftuur is een schrijven gehecht, gericht aan verdachte en afkomstig van het Internationaal Rechtshulp Centrum Amsterdam waarin is te lezen dat verdachte door een miscommunicatie binnen het OM niet in staat is geweest om de zitting in hoger beroep bij te wonen, omdat verdachte op 3 februari 2010 ter beschikking is gesteld van de Italiaanse autoriteiten.
3.2. Aan de betrouwbaarheid en herkomst van dit schrijven kan in redelijkheid niet worden getwijfeld, temeer niet nu inmiddels aan de administratie van de Hoge Raad door het IRC Amsterdam een fax is verzonden op 8 augustus 2011 waarin dezelfde informatie is opgenomen.
Achteraf blijkt aldus dat - in tegenstelling van wat op het eerste gezicht aannemelijk is - feitelijk aan het recht van verdachte om in zijn aanwezigheid te worden berecht is tekort gedaan.(1)
In aanmerking genomen het grote belang van verdachte om bij de behandeling van zijn zaak in hoger beroep aanwezig te zijn met het oog op de mogelijkheid mondeling zijn bezwaren op te geven tegen het bestreden vonnis van eerste aanleg dient verdachte in de gelegenheid te worden gesteld om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen.
4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak opdat deze op het bestaande beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 HR 17 januari 2006, NJ 2006, 662 m.nt. Schalken; HR 28 februari 2006, LJN AU8094; HR 19 december 2006, LJN AZ11660; HR 21 december 2010, LJN BO2974.